Dorp in de branding

Titel
Dorp in de branding

Jaar
1975

Overig
roman

Pagina's
182



zijn half onverschillige, half medelijdende toon. ‘Oude instellingen, zeden, volksgroepen, ja, hele werelddelen worden omgewoeld door het naar winst speurende kapitaal. Je kunt het toejuichen of bejammeren, maar het is niet te verhelpen/

‘Dus er blijft niets in stand? Het weinige goede, dat er is, gaat ook te gronde?5

‘Misschien verandert er in wezen niets. Het kan alles op gezichtsbedrog berusten. De mens van duizend jaar geleden verschilde maar bitter weinig van die van vandaag. Maar wat het kapitalisme aangaat, heb ik je al eens verteld, dat er tegenstromingen zijn, die het uit de weg willen ruimen. Voor een man als jij is daarvan evenmin iets goeds te verwachten, integendeel. Je behoort tot de bezitters, de mensen van de oude orde. Krijgen de revolutionairen hun zin, dan blijft er geen spat over van alles wat je dierbaar is: eigendom, godsdienst, enz/ ‘Ik ben bereid al mijn bezittingen op te geven, als er een betere wereld komt. Ik heb al lang leren inzien, dat het op deze wijze niet kan voortduren/

‘Geef niets op, beste kerel. Hou wat je hebt. Ze zeggen wel, dat het hun om een betere wereld te doen is, maar in werkelijkheid azen ze op voordelen. O, er zijn misschien nobele zielen onder de wereldhervormers, maar de meesten worden door ordinaire afgunst gedreven/

Het was om radeloos te worden. Blom had gelijk, niet in alle dingen, maar in vele. De mensheid kon zich niet uit haar verworpenheid opheffen. Zij had de beschikking over een aarde, die schatten opleverde. Maar miljoenen ontbeerden het allernodigste. Zij had Christus zien kruisigen, maar nam Zijn offer niet aan. Zij tierde voort in een poel van materiële en geestelijke verwildering.

Een enkele keer werd Blom vertrouwelijker en gaf zich bloot. ‘Wij willen iets/ zei hij. ‘Ik evengoed als jij. We kunnen het niet uithouden in dit warnest van leugen en egoïsme. Jij zoekt bescherming in je geloof, jij hebt vrouw en kinderen om heen te vluchten, als het je buiten te bar wordt. Ik heb niets. Geen God, geen kind of kraai. Soms denk ik er over, me te bedrinken, maar ik vind het beneden m’n waardigheid. Als ik kapot moet gaan, dan liever nuchter, bij vol bewustzijn/

Jan Bauer, de harde, sobere, ontstelde bij die woorden. Altijd nog had hij iets van eerbied gevoeld voor de intellectuele stan

91

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.