begin der schepping af was Stormoord een verlaten, vergeten hoek van deze aarde geweest. Een aantal wereldvreemden had er bijeengehokt en de grote wereld had hen laten hokken. De Stormoordse gemeenschap, zo men al van een gemeenschap mocht spreken, zou worden ontbonden. Ze was niet beter waard, ze kon hoogstens nog meer verdorven worden dan ze al was. En toch leek haar afgeslotenheid nu iets heiligs, een brok oernatuur.
Jan Bauer liet zich niet bedriegen, ook niet door zijn eigen sentimentaliteit. Maar hij kon zijn terneergeslagenheid niet te boven komen. Duidelijk voelde hij weer, dat de krachten der wereld sterker waren dan de wil van een mens. Eerst had hij zich tegen het bestaande verzet, nu tegen het komende. Beide keren was hij tekort geschoten. De grote massa leefde in een soort sluimering. Zij kon zeggen, dat de wereld over nacht veranderde, maar daarmee kon hij zich niet troosten. Hij hield zijn ogen open, met waakzame zinnen nam hij alles waar. Alles? Niets zag hij van het werkelijke gebeuren. Het onttrok zich aan de scherpste blik. God speelde een spel met Zijn schepselen. Ogen had Hij hun gegeven, maar zij zagen niet, zij konden met de beste wil niets zien.
‘Begrijp je het nu,5 vroeg Blom hem, ‘dat we machteloos zijn? Een Duitse dichter heeft gezegd: ‘Du glaubst zu schieben und du wirst geschoben5. Weet je wat dat betekent?5 Ja, hij wist het. En bijna was de oude, woeste opstandigheid weer in hem opgebruist. Maar hij was de oude Jan Bauer niet meer. Roerloos en geweldig zag hij de eeuwigheid voor zich. De tijd was voorbij, dat hij zijn kracht vermorste in ijdele wrok. De tijd was voorbij, dat hij het vaandel der gerechtigheid hief en in naam daarvan de mensen wilde dwingen hem te volgen. Stormoord werd prijsgegeven aan een troep speculanten. Het moest dan maar zo zijn. Misschien stak er in dit alles meer rechtvaardigheid dan hem nu toescheen.
Blom wilde van geen rechtvaardigheid weten. Hij sprak van een onverbiddelijke evolutie. De menselijke driften leidden er toe, dat de hele wereld geleidelijk aan de macht van het kapitaal werd onderworpen. Men noemde het ook wel economische wetmatigheid. En daar had de dokter vrede mee, als men achter de woorden maar de mens bleef zien.
‘Aan het materiële gewin wordt alles opgeofferd,5 zei hij op
90