liefhebben, ondanks alles. Ik zal liefhebben, totdat mijn botten zijn gebroken, een voor een, totdat de adem in mijn borst is doodgeperst.
‘Luister, kinderen/ sprak Bauer. cIk heb een vader gehad, die levenslang beweerd heeft, dat de mensen niet deugen. Ik heb het niet willen geloven, omdat ik het leven moest kiezen. Want leven en zo’n geloof gaan niet samen. Ik blijf mijn keus trouw, jullie hoeven niet ongerust te zijn, over mij niet. Ik sta tegenover God en zolang het Zijn wil is, zal ik tegenover Hem staan. Maar bedenk wat dat wil zeggen. Onze Jan is heengegaan, omdat hij niet kon aanzien, dat ik de wereld naar mijn hand wilde zetten. Allen, die ik met mij verbonden dacht, hebben mij verlaten. Doe het ook, dan sta ik alleen, dan is er niets meer tussen God en mij../
Maar ze gingen niet. Ook het stoutmoedigste hart schrikt ergens terug. Hij scheen er in te berusten. Zijn haar was wit, zijn gelaat gekerfd door rimpels. Toch gaf hij nog geen kamp. In Stormoord bleef hij een groot, een vereerd en beklaagd en belasterd man. Zijn reeds legendarische figuur werd nog mysterieuzer. Wat was de drijfveer van dit leven? Op welke duistere verten hield Bauer het oog gericht? Hij zag het dorp niet meer. Hij was groter dan alle bouwsels, door mensen opgericht. Boven de daken rees hij uit, niets zag hij meer dan de ruimte, de onverbreekbare cirkel der horizonten. Was dit het absolute niet, de stilte, waaraan alle vreugde en jammer zich te pletter liepen? Hij sloeg voorover op de straatstenen. Men bracht hem naar huis. Blom, die zijn hand vasthield, keek in het gewonde, afgetobde gezicht. Bauer opende de ogen.
‘Blom/ zei hij, ‘mijn vader is weggebracht, jaren geleden. Toen was jij hier nog niet/
‘Ik weet het/
‘Ik zal hem niet achterna gaan, want hij had zijn verstand verloren en ik ben bij zinnen. Al twijfelen jullie er ook allemaal aan!’
‘Niemand twijfelt er aan!’
‘Dus je geeft toe, dat de mensen deugen, dat je ze moet liefhebben totdat je kapot gaat? En dat dat geen waanzin is?’ ‘Het is geen waanzin/ zei Blom.
‘En jullie, Koos, kinderen, wat zeggen jullie er van?’
‘Dat dat het enige is, het hoogste.. /
183