‘Maar ik geef de strijd op ... Ik kan niet meer.. .*
Zijn stem stikte in tranen. Het schreien duurde niet lang. Hij sliep in en lag rustig, met de handen gevouwen boven het dek. Zo zagen zijn vrouw, zijn kinderen en zijn vriend hem liggen, toen zij de kamer uit gingen. Zo lag hij nog, uren later.
De nacht daalde over Stormoord.
Over goeden en bozen daalde de nacht.
184