wilde met hem praten, hem zeggen, dat alles hem speet. Hij wilde zijn moeder aanklampen, Koosje zijn verslagenheid toevertrouwen. Maar hij kon niet. Zwijgend deed hij zijn werk, zwijgend zat hij thuis aan tafel. Hij vond zelfs niet de kracht om de handen te vouwen en een gebed te stamelen. Hij staarde in de eeuwig bewogen hemel, God was ver en ongenaakbaar. Bauer, in eigen wanhoop opgesloten als in een kooi, had de zoon weer uit het oog verloren. De vrouwen zagen hem des te scherper. Zij probeerden hem op te monteren. Van Heel was een beste kerel, met wie hij goed zou kunnen samenwerken. En hijzelf zou immers ook directeur zijn, niet een formele, maar een echte, want hij werkte en had hart voor de zaak. Het scheen, dat hij zich liet overtuigen.
Koosje nam hem mee op wandelingen langs het strand. Het was een winter met louter lage regenluchten en donkere zeeën. De triestheid overweldigde het hart. Hun voetsporen, geluidloos achtergelaten in het zand, zouden over enkele uren door de vloed worden uitgewist. Het menselijk leven was niet méér: een nauwelijks zichtbaar vlammetje, dat even flakkerde en dan werd uitgeblazen. Op dit moment schoot in het meisje een ander besef als een geweldig vuur los. Het Christusmysterie, het drama, dat alle tijden en ruimten omspande, werd vlees en bloed in haar. Ondoorgrondelijk en smartelijk was het leven. Maar wie één duizelingwekkend ogenblik in de afgrond der genade had gestaard, uit hem werd alle duisternis weggebrand. De jongen kon tot dat ogenblik niet komen. Hij zag alleen de donkere gordijnen van de hemel, de norse, woeste zee en het eindeloze, verlaten strand.
Koosje, wanhopig, ging naar de predikant, een jonge man, die het goed met de wereld meende, maar met wie zij na tien minuten uitgesproken was. Tegen Blom zei ze: ‘Red mijn broer, hij gaat kapot!’ De dokter praatte lang met de jongen en hielp hem inderdaad weer op de been. Hij begon weer aan de gesprekken deel te nemen, verklaarde, dat hij zich tevreden stelde met zijn lot en trad zelfs in correspondentie met een meisje, een dochter van een zakenvriend, die onlangs met haar vader bij de Bauers op bezoek was geweest. Nog vóór de winter om was, in het begin van maart, werd hij op een vroege ochtend door twee strandjutters dood thuisgebracht. De zee had zijn leven gehouden, zijn lichaam teruggegeven. De vrouwen wierpen zich snik
180