‘Een beste kerel. Hij is arm en drinkt weinig. Vandaar.. .’
‘Je bent je eigen baas. Maar mij staat-ie niet aan!’
Henk kleurde. Zijn moeder keek hem aan en toen bloosde hij nog dieper. Terwijl Bauer voor het loket in de rij stond, zei Koos: ‘Wij zijn conservatief, Henk. Denk daaraan!’
‘Moeder, ik zweer je, dat er niets op Hans is aan te merken!’ ‘Dan is het goed, jongen.’
Maar met de andere jongen was het niet goed. Zijn vader, de borst vol verse zeelucht, schudde hem de hand. De jonge Jan hield die hand vast als een drenkeling een reddingsboei. ‘Heb je het moeilijk gehad?’
‘Heel erg .. /
Het was zijn eigen schuld. De chefs, het personeel, wilden wel, maar hij was zijn zelfvertrouwen kwijt, nu zijn vader ontbrak. Er was niets scheefgegaan, de zaken liepen haast vanzelf. Maar die angst, dat de boel in de war zou lopen...
Bauer, met nieuwe energie geladen, zette de teleurstelling van zich af. Blom had gelijk gehad: de vakantie was heilzaam geweest. Heel zijn lichaam hunkerde om weer aan het werk te gaan, weer rond te lopen in Stormoord. De zee bulderde hem tegemoet, de grauwe koppen van de branding schenen naar zijn gelaat te springen. Hij had armen willen hebben, om die eindeloze zee te omvatten, op te nemen, neer te smakken, weer op te nemen en weer neer te smakken. Wat was het goed, te leven en pijn te lijden, hopeloze pijn te lijden, ja hopeloos! Was dat niet prachtig: zonder hoop voort te gaan? Alles te aanvaarden: ‘Niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt...’ Wat verbeeldde hij zich? Blom bekeek hem en zei, dat Bauer moest begrijpen, hoe het met hem stond. Hij was nog niet oud, maar ook niet jong meer.
‘Ik ben amper vijftig. Sommigen beginnen op mijn leeftijd pas!’ ‘Alle mensen zijn niet gelijk. Ik wil trouwens niet zeggen, dat je moet ophouden, integendeel, maar je moet langzamerhand iets van je verantwoordelijkheid o ver dragen.’ ‘Overdragen? Jan is hulpeloos, als ik er niet ben!’
‘Dan moet je een ander zoeken.’
Al kwam dit niet onverwacht, het trof Bauer als een slag op het hoofd. Een vreemde in de zaak halen, zijn werk overgeven aan iemand, die hem onverschillig was! Was dit alles wat overbleef van zijn droom, om de toekomst van zijn zoons te
177