niet meer aanzag. ‘De liefde? Kan ik die dan nog verdragen .. / Meteen sprong hij op, greep de handen van Koos je en trok haar op uit haar stoel.
‘Ik heb onzin gesproken. Kom, laten we gaan!’
Ze sidderde, ze had zich aan zijn borst willen werpen. Maar hij keerde zich al om en liep naar de deur. Ze ging hem achterna, de schemerig verlichte gang in. Enkele woorden van en aan de toesnellende concierge. Het slaan van de buitendeur. En dan de nachtwind in de verlaten straat. Ze liepen los naast elkaar, met gelijkmatige, krachtige schreden. Bauer sloeg niet de weg naar huis in, maar ging in de richting van het dorp. Koosje vroeg zich af, waar hij heen wilde. Wat alles mislukt?
‘Neem me niet kwalijk/ sprak zijn stem in het donker, ‘ik had anders tegen je moeten zijn/
Hij nam haar arm en snoof enige malen achtereen.
‘Het is al goed, vader/ zei ze.
‘Er zijn dingen, die niet te verhelpen zijn, door geen liefde, door geen vriendschap. Die kunnen veel doen, maar niet alles. Ik wil me geen martelaarsrol aanmeten en ik weet, hoeveel me is geschonken. Maar wat ik gehoopt, waarvoor ik gevochten heb, is me niet gegeven. En daar weegt eigenlijk niets tegenop. Christus heeft geen ijdel woord gesproken, toen Hij zei, dat wie vader of moeder liefheeft boven Hem, niet in het Koninkrijk der Hemelen zal binnengaan. Ik zal het zeker niet vinden, want als ik het ware geloof had bezeten, zou ik althans iets hebben bereikt. Nu ga ik met lege handen naar de dood, zelfs zonder de troost, dat ik mijn vrouw en kinderen genoeg heb liefgehad. Kijk, dat zijn dingen, die Blom niet begrijpt en waarover ik tegen hem geen woord hoef vuil te maken. Hij denkt aan mijn behoud. Het is menselijk, dat jullie ook daaraan denken en het is misschien zelfs christelijk. Maar je zult moeten toegeven, dat er niets te behouden valt, dat mijn leven mislukt is/ ‘Ik kan het niet toegeven! U hebt alles gedaan, tijd, kracht, geld hebt u opgeofferd! Zijn dan de uitkomsten het enige? Is het strijden zelf niets?’
‘Je kunt gelijk hebben. Het zal mijn eigen tekort aan geloof zijn, dat ik het zo zie en niet anders/
Zij stonden voor het huis van de dokter. Het begon te regenen, fijne, kille druppels. Zonder aarzelen greep Bauers hand naar de bel.
173