voelden, dat Bauer was teruggevallen in zijn oude onbeheerstheid. Als een wolk hing het geweld van zijn drift in de kamer. De jonge Jan, een mens, die nog steeds niet zijn weg had gevonden, betrok vaders aankondiging op zichzelf. Had hij misschien? ... Alleen de vrouwen vermoedden de oorzaak. Zij voelden, dat de stilte moest worden verbroken. cWat heeft Blom je dan gedaan?’ vroeg Koos.
‘Ik wil geen kwaad van hem spreken, hij is lang onze vriend geweest. Maar ik hoop, dat jullie begrijpen, dat ik zoiets niet zonder reden heb gedaan.’
Na de maaltijd ging Bauer weg, hij had nog een bespreking op kantoor. Koos overlegde met haar dochter, nu een meisje van 18 jaar. Het was duidelijk, dat er iets moest gebeuren. Koos maakte zich hevig ongerust. Ook haar dochter, jong, maar gewend scherp logisch te denken, begreep, dat Bauer in een gevaarlijke situatie was gekomen. Reeds vereenzaamd door zijn breuk met de kerk en zijn innerlijk conflict met de wereld, vervreemde hij nu ook de enige vriend van zich. Het was echter de vraag, zei zij, of een man als vader op welke wijze ook kon worden geremd. Koos antwoordde, dat zij het had gekund, althans had gemeend, het te kunnen. Maar dat was lang geleden. Blom liet zich aandienen. Hij drukte de beide vrouwen de hand, er was geen spoor van ontsteltenis aan hem te bemerken. Hij had Bauer uit zijn tent willen lokken en was daarin geslaagd. Een breuk tussen hen? Dan toch één van voorbijgaande aard. Een temperament als dat van Bauer kon heftig reageren, het had behoefte aan steun, niet alleen metafysische, ook menselijke. Die steun behoefde niet te bestaan in raad of troost, soms juist het tegendeel. Ernstig verschil van mening, wrijving met een andersoortig temperament, was voor hem onontbeerlijk. cKan het niet zijn, dat vader tenslotte aan zijn innerlijke wrijving genoeg heeft?’ vroeg Koosje. ‘Met alle gevolgen van dien?’
‘Het kan zijn. Maar ik geloof te mogen zeggen, dat ik een element in zijn leven vorm, dat hij nooit zal kunnen absorberen. Hij moet mij tegenover zich, buiten zich zien.’
Hoe vernuftig Koosje deze uiteenzetting ook vond, zij twijfelde aan de juistheid er van. Maar zij deed er het zwijgen toe. Want zou Blom tegen de waarheid bestand zijn: dat hijzelf de vriendschap van Bauer niet kon missen?
169