‘Het wordt voor mij niet te laat. Of wou je me een ziekte aanpraten?5
‘Ik kan je niets aanpraten, anders zou ik het niet laten. Maar laat me je althans zeggen, waarom ik je dit ongevraagde advies geef. Je bent mijns inziens op een dood punt gekomen. Je kunt niet verder. Je gedachten draaien voortdurend in een kring. Dat is gevaarlijk.5
Blom had nadrukkelijk gesproken. Bauer wilde de woorden vergeten, maar ze waren al diep in hem doorgedrongen, met venijnige scherpte. Hij was opgestaan en ijsbeerde door de kamer. Voor het raam bleef hij staan en zag uit over de zee, eeuwig anders, eeuwig dezelfde. Na enige ogenblikken keerde hij zich om.
‘Nee, ik doe het niet. Het is overal hetzelfde.5 ‘Dat zou je eens moeten bekijken.5 ‘Dwaasheid! Ik heb genoeg van het experimenteren.5 ‘Dan zijn we uitgesproken.5
Maar het gesprek was niet uit. In Bauer werd het voortgezet. 5s Nachts lag hij wakker, met het schrikbeeld van zijn vaders einde voor ogen. Lange jaren was de herinnering daaraan bedolven geweest onder de beslommeringen van elke dag. Nu hernam de donkere angst zijn aanvallen. In de morgen was hij grimmig en verbeten. Waarom zich laten imponeren door een dokter? Hij was tenslotte baas over zijn eigen geest, hij had een wil, en wat hij niet wilde, dat gebeurde niet. Al meer wond hij zich op, liep naar zijn kantoor en schreef een briefje aan Blom, waarin hij deze meldde, dat hij verder van zijn diensten als arts geen gebruik wenste te maken. ‘Dit houdt ook in, dat ik u als particulier niet meer wens te ontvangen.5 Hij belde om de loopjongen en beval, het briefje onmiddellijk bij dokter Blom te bezorgen. Nu mocht Blom van hem denken wat hij wilde, dat hij gek was of normaal, het zou hem niet meer hinderen. In werkelijkheid had hij de hele dag hinder van het geval, het ging hem niet uit de gedachten. Ieder ogenblik verwachtte hij, Blom te zien verschijnen en toen dit niet gebeurde, werd hij nog razender.
Bij het avondeten verklaarde hij, uiterlijk kalm, dat hij Blom zijn congé had gegeven. Koos en de aanwezige kinderen -Henk, die in Amsterdam studeerde, ontbrak - keken op, alsof er een donderslag had geklonken. Niemand zei iets. Allen
168