Was er geen middel om het geweld van die strijd te temperen? Zij wist er geen. Zij bestond zelfs niet in de barre wereld, die hij doorkruiste. Haar angst, te groot om te dragen, liet zich sussen. Er was veel, dat hem aan de aarde en de regelmaat van het dagelijks leven bond. Zijn ontelbare zakelijke en particuliere verplichtingen. Zijn liefde voor haar, Koos. En dan vooral zijn kinderen.
Ongebroken was de kracht van zijn lichaam, ongebroken zijn zelfbeheersing, verworvenheid der laatste jaren. Aan avonturen, hetzij theoretisch, hetzij practisch, gaf hij zich niet meer over. Zijn bestaan was gestabiliseerd, voorzover een menselijk bestaan dat kan zijn. Hij dreef zaken, die floreerden, hij had kinderen, die volwassen werden. Hij leefde in een dorp, waaromtrent hij geen enkele verwachting meer koesterde. De moderne tijd, zoals dat immers heette, had er zijn tanden in gezet en blijkbaar kon niets of niemand dat proces stuiten. De mensen waren bekrompen, achterdochtig - maar waarom opnieuw al die eigenschappen opsommen? Zoals ze hier waren, zouden ze elders ook wel zijn. Jan Bauer overzag de wereld en hij wist, dat zij leefde en zou voortgaan te leven zoals het haar goeddunkte. Wat Blom hem jaren geleden aan het verstand had willen brengen, kon hem alleen in de taal der onverbiddelijke feiten worden bijgebracht. Zo bleek het, dat hij weliswaar hardleers was, maar niet ontoegankelijk. Hardleers ... Hij keek naar zijn kinderen en wendde de blik van hen af. Welbewust had hij afstand gedaan van de uitoefening van zijn gezag. Hij had geleerd, en meer wilde hij niet leren. Zijn liefde voor de mensen was gekneusd, maar niet gedood. Nog woedde als een brand in hem de vraag naar het waarom van het lijden. De liefde tot zijn kinderen mocht zelfs niet gekneusd worden. Haar wilde hij ongerept houden tot het einde van zijn dagen en meenemen in de dood.
Blom, die hem scherp observeerde, zweeg lang. Eindelijk kon hij niet nalaten, Bauer te waarschuwen.
‘Je zou er verstandig aan doen, dit gat te verlaten, zo niet voorgoed, dan toch voor een behoorlijke tijd/
‘Ik denk er niet aan. Ik heb altijd gewerkt en zal werken zolang ik me goed voel/
‘Je hoeft je niet ziek te voelen om ontspanning te zoeken. Dat moet je doen, eer het te laat is/
167