IX
Nog altijd Jan Bauer, een eenzaam man, die hongerde en niet kon worden verzadigd. De stem der gerechtigheid bleef in hem roepen, dag en nacht. Zij werd dringender, naarmate zijn jaren toenamen en de vervulling van zijn ideaal terugweek. Het was of er niet één ziel in hem woonde, maar tien, twintig, honderd. Want het kon niet mogelijk zijn, dat één mensenziel zoveel hartstochtelijke tegenstrijdigheden herbergde. Als verwilderde vogels krijsten zij tegen elkaar in: zijn mensenliefde, zijn af keer van de wereld, zijn bezorgdheid om God en gebod, zijn weerzin tegen een wereldbestuur, dat schatten van liefde liet bedelven door vulkanen van haat. Als Christus was gestorven ter verlossing der zielen, waarom moest hij dan in deze onduldbare chaos voortleven? De Gekruisigde hing boven de wereld en zag hem aan met ogen, die zelfs te moe waren om hun wanhoop te uiten. Bauer liet zich niet misleiden. De duivel gaf hem dit visioen in. Maar het was een hardnekkige duivel, die hem geen moment losliet. Ergens moest ook de aanblik der vertroosting zijn, het zingen der zaligen. Misschien kende hij ze, maar dan als een zo felle sensatie, dat hij er in al zijn vezels door werd gemarteld en niet meer wist, of dit zaligheid of verdoemenis was.
Begreep iemand wat er in hem voorviel? Koos had zachte woorden en een open hart. Soms zag hij het zilver in haar haren en voelde zich bewogen. Zij had hem haar leven gegeven en hij had het aangenomen. Hij was er zeker van dat zij alles wist, ook nu nog. Maar daar kon amper meer over worden gesproken. Eenmaal had alles herstelbaar, verbeterlijk geschenen. Die tijd was voorbij. En waarom spreken over dingen, die niet te verhelpen zijn? Zij had hem zo lief, dat zij hem geen illusies wilde voortoveren. Het zou haar trouwens niet zijn gelukt. Evenmin had zij het recht, hem terug te houden van de weg, die hij moest gaan. Er is een eenzaamheid, die ook door de liefde moet worden gerespecteerd. Koos bezat dit respect. Maar soms plaagde haar ongerustheid, een plotseling opvlammende angst. Waar moest zij staan in dit gevecht van Jan met zijn demon?
166