jonge geslacht Bauer langzamerhand een onherstelbaar euvel geworden. Men beschouwde het tenslotte als een natuurlijke zaak: zo’n vader kon geen ander kroost voortbrengen. En hoezeer hij de mening der wereld verachtte, deze reputatie van zijn kinderen ging Bauer aan het hart. Hun mensenliefde moest er onder lijden. Zij zouden het dorp, waar zoveel generaties Bauer hadden gewoond, vaarwel zeggen zodra zij de tijd daartoe gekomen achtten. Een donkere herinnering zouden zij meedragen, die met de jaren zou verbleken. En daarna zouden zij leven, ver van hun geboortegrond, in een vreemde streek. Overal kon men leven en pogen iets te bereiken, dat de neerdrukkende kracht der alledaagsheid kon doorstaan. Maar voortzetters van zijn werk mochten zij dan niet meer worden genoemd. Dat werk zou vergaan tot puin en as.
165