een marionet zijn, een willoos voorwerp, bespeeld door onkenbare machten, hij werd pas aanvaardbaar in Bloms ogen, wanneer hij zich verbeeldde, dat zijn gedrevenheid een drijfkracht was, die hij bewust kon regelen. En dit verbeeldden de jonge Bauers zich in hoge mate. Zij vonden bij de arts een open oor voor al hun vreugden en zorgen. Hun vuur deelde zich aan hem mee, hij vergat zijn levensbeschouwing en ging op in hun plannen en visioenen. Daarna, alleen, glimlachte hij. Het was geen glimlach van superioriteit, eerder een van verdriet om zijn leven, dat hij verloren wist. Maar de jongelui zagen dit verdriet niet. Zij konden zich niet voorstellen, dat een man met de intelligentie en de ontwikkeling van Blom in een van God verlaten wereld leefde. Wat hun vader aan intellectualiteit tekort kwam, vonden zij bij hem. Zijn omvangrijke kennis van mensen en dingen, zijn zelfbeheersing, die hem ook in momenten van geestdrift niet verliet, vonden bij hen intense bewondering, bijna evenzeer als het donkere, broeiende geweld, dat in hun vader school.
Jan Bauer zou de banden met de kerk nooit hebben verbroken, wanneer hij geen onbegrensd vertrouwen in de rechtschapenheid van zijn kinderen had gesteld. Zij waren nu oud genoeg, zij mochten hun gang gaan. De boeken, die zij van Blom leenden, de woorden, die zij van hem overbrachten, schokten hem niet. Dikwijls had hij zich in zijn onwetendheid opgesloten gevoeld als in een kooi. Met hen zou dat niet het geval zijn. In de nieuwe tijd - gelukkiger of ongelukkiger dan de voorbije, wist hij het nog? - zouden zij staan als heersers over de krachten, die begonnen waren zich te ontketenen. Want dit had hij uit alle strijd behouden: zijn geloof, dat zijn kinderen het beter zouden hebben, meer zouden bereiken dan hem vergund was geweest. Zelfs zijn oudste zoon, de moeizaam levende, begon zich in te burgeren in zijn nieuwe werkkring. Hij beschikte bij het personeel over een gezag, dat de verwachtingen van vader en zoon overtrof.
Nooit meer deelde Bauer vermaningen uit, nooit gaf hij zijn kinderen een raad, tenzij hem deze werd gevraagd. Zijn conflict met de wereld was onherstelbaar, tussen hem en zijn kinderen mocht niets meer komen te staan. Het was een zware proef, waaraan hij zijn vaderlijke autoriteit onderwierp. Maar zij kon er tegen. Voor het dorp was de losbandigheid van het
164