grijp ik niet waarom men van de liefde zo iets opdringerigs heeft gemaakt. Waarom mag ik niet mijn gang gaan en voelen wat ik voel?’
Koos kon deze woorden niet begrijpen, maar haar dochter, wie zij ze overbracht, noemde haar vader een groot man. Hij droeg de wereld in zijn hart, hij nam haar mee, ook in de diepste eenzaamheid. Hij moest in het absolute staan, daar waar geen kleingeestigheid hem kon benaderen. Ergens, op een bergtop, was zijn tehuis. Daar kon hij de wereld overzien en liefhebben met alle hevigheid, waarover zijn gemoed beschikte. Koos, de moeder, huiverde. Zij zag de schoonvader voor zich. De dochter huiverde niet. Haar jonge onstuimigheid kon alleen toejuichen, aanbidden.
Jan Bauer was een gezegend man. Zijn kinderen kenden geen grotere wens dan hun vader na te volgen. Voorlopig echter gingen zij met hun moeder naar de kerk. Allebei hun ouders deden zij daarmee een genoegen, en bovendien vonden zij het een aanmatiging, op dit punt als hun vader te handelen. Het gekrijs der dorpelingen interesseerde hen evenveel als het zoemen van een vlieg. Dat deze botteriken de geloofsleer op de enig juiste wijze interpreteerden, was een veronderstelling, die alleen maar op hun lachspieren kon werken. Christus was het grote voorbeeld voor ieder, die dit leven niet als een ijdel spel opvatte. Maar zou het meer dan enkele uitverkorenen vergund zijn, tot het mysterie van Zijn leringen door te dringen? Zij waren individualisten, zij hadden de hartstochtelijke belijdenissen van de Tachtigers gelezen. Nieuwe werelden gingen open. Boven alle horizonnen gloeide het woord: schoonheid. Een jong geslacht werd zich van zijn kracht bewust, schudde sufheid en benepenheid van zich af, hoonde en verguisde de Hollandse kleinburgerlijkheid. Conservatieve leraren ten spijt, dronken de burgerscholieren zich een roes aan eigen en andermans geestdrift. Die aanstonds huisvaders van onverdacht allooi zouden zijn, hulden zich vandaag in fluwelen jasjes en weigerden naar de kapper te gaan. Henk en Koos je, hoewel bedachtzamer en kritischer dan de meest en, geloofden toch, dat er een storm van genialiteit over het land was losgebroken. Zij stonden bij hun medescholieren in hoog aanzien, vanwege hun begaafdheid en hun schatrijke vader. Maar aan diezelfde vader konden zij zien, dat uitzonderlijkheid niet louter vreugde betekende. Zij
162