weinigen, het woord tot hem te richten. Zelfs Koos wist niet hoe zij hem aan moest pakken, daar zij zijn reactie niet kon berekenen. Hij bleef even vriendelijk als hij in de laatste tijd was geweest, een belangstellend huisvader. Maar achter zijn gelaat broeide het donker en geweldig. Koos verwachtte een uitbarsting, maar die kwam niet. Wel sprak hij met haar, plotseling, op een avond. Hij verklaarde, dat hij het niet meer kon uithouden. Zijn ogen zagen strak in de hare, zij las er meer droefheid dan woede in.
‘Ik moet er uit,’ zei hij, ‘ik heb gedaan wat ik kon.’
‘Waar moet je uit? Toch niet uit de kerk?’
‘Ja, uit de kerk.’
‘Om Godswil, Jan! Vanwege dat onnozele tennisspel?’
‘Daarom en om alle andere dingen. Doe niet zo verschrikt. Hoe vaak heb ik niet gevoeld, dat ik in die kerk niet thuishoorde. Een gemeenschap moet het zijn, maar het is er geen. Voor mij althans is het er nooit een geweest. Misschien ligt het aan mij, het is mogelijk. Ik ben lastig, excentriek, een querulant, om een woord van de kinderen te gebruiken. Het zij zo. Ik trek er de consequentie uit en zal nooit, zolang ik leef, nog een voet in de kerk zetten.’
‘Maar de kinderen! Wat moeten zij denken?’
‘Ze zijn wijs genoeg om te begrijpen hoe de vork in de steel zit. En als ze naar de kerk willen gaan, heb ik daar geen bezwaar tegen, integendeel, ik zal het prettig vinden, net zo goed als van jou.’
‘Maar je komt alleen te staan, volkomen alleen!’
‘Dan heb ik waarschijnlijk tenslotte toch nog mijn plaats in het leven gevonden. Het is meer dan ik had mogen hopen.’ De gelatenheid, waarmee hij sprak, het sarcasme, waarmee hij besloot, ontstelden haar meer dan vroeger zijn driftbuien het hadden gedaan. Ze zou haar handen naar hem hebben willen uitsteken, als om hem terug te trekken. Maar pathetische gebaren kenden zij niet tegenover elkaar. Ze vroeg of hij de mensen dan werkelijk hun kleinheid niet kon vergeven.
‘Ja, tot zeventig maal zeven keer toe vergeef ik ze. Ik heb het ook nu gedaan. Maar dat neemt niet weg, dat ik hen mijd waar dat mogelijk is.’
‘Is dat christelijk, Jan?’
‘Misschien niet. Ik kan in elk geval niet anders. Overigens be
161