heenspringt. Haar ogen schitterden, haar wangen liepen rood aan. Jan vroeg haar waar zij dat alles vandaan had, zij was nauwelijks verder dan het ouderlijk huis geweest.
Koosje haalde de schouders op en gaf geen antwoord. Zij zag er uit als een volwassen vrouw.
Zij maakten lange marsen, namen de natuur in zich op met al hun zinnen en keken hun ogen uit in de steden. Ze dwaalden door musea, waarbij het Jan vaak te machtig werd. Die zette zich dan neer op een bank, terwijl de anderen zich aan de kunstwerken vergastten. Als het even kon, brachten zij de nacht door in een boers logement, waar zij des avonds, moe en verzadigd, op een beschaduwd terras zaten. De beide jong-sten keken de krabbels door, die zij overdag tijdens een rustpoos in hun schetsboek hadden gemaakt, of staarden naar de langzaam donkerende hemel. Zij voelden de onuitsprekelijke grootheid van het leven en barstten soms in enthousiasme uit, wanneer zij de herinnering aan een pas gezien kunstwerk of land-schap ophaalden. Zelfs Henk kon onverwachts alle moeheid en bezinning van zich af schudden, en juichen en springen als een dronkeman. Jan zat daar verbaasd naar te kijken, met wijdopen ogen. Hij begreep deze geestdrift en hij begreep hem ook weer niet. Zij mochten zich gelukkig prijzen, omdat zij zich begaafd voelden, maar zij moesten daarvan ook alle zwarigheden dulden. Koosje moederde over hem, liet haar hand langs zijn haren glijden en zei, dat hij niet altijd voor doodbidder hoefde te spelen. De misère kreeg hem opeens weer te pakken. Hij vergat haar leeftijd en verklaarde, dat hij er niet tegenop kon, nog niet. Ze moest het begrijpen: ze was zoveel rijker bedeeld dan
hij-
‘Ja, ik begrijp het, maar ik geloof, dat je te veel naar anderen kijkt. Als ik naar anderen kijk, kan ik me ook ongelukkig voelen, want ik verbeeld me niet, dat ik de beste ben/
Bij zijn thuiskomst sleepte Jan nog alle problemen met zich mee, die zijn geestelijke bagage vormden bij het vertrek. Maar hij had duidelijker leren zien: de grootheid en starheid van de vader, de grote geestelijke voorsprong, die zijn broer en zuster op hem hadden, het gebrek aan innerlijke lenigheid, waarmee hij was behept. Terwijl de anderen weer naar school gingen, bleef hij alleen achter en kwam tegenover zijn vader te staan.
155