tolereren. Het was een ontuchtige bende, een schandvlek voor het dorp.
Bauer ging op informatie uit en inderdaad bleek het, dat hij mensen herbergde, die samenleefden in een staat, die zij vrije liefde noemden, maar die Bauer alleen met hoererij kon bestempelen. Hij gaf hun een week tijd om hun biezen te pakken. Henk, toen een jongen van zestien jaar, die met de schilder bevriend was geraakt en les bij hem nam, smeekte zijn vader, de mensen niet te verjagen.
‘Jongen, weet je wat je zegt? Is het de mens geoorloofd, zich aan ontucht over te geven?’
Henk kon niet anders dan ontkennend antwoorden. Maar hij had geen fout bij die mensen kunnen vinden, hij hield van hen, ze waren tactvol, goed en gul.
cIk hoop niet de dag te beleven, waarop jij je aan dergelijke dingen zou overgeven. Ze hebben te verdwijnen!’
Als een valbijl sneden deze woorden alle verdere discussie af. De jongen bleef alleen met zijn verdriet. Hij had leren inzien, dat behalve de overtuigingen van zijn vader, er vele andere bestonden en dat die niet alle verwerpelijk waren. Zonder in het algemeen behoefte te voelen om van de hem sinds zijn vroegste jaren gewezen paden af te wijken, begreep hij toch, dat hij vaders absolutisme nooit zou kunnen navolgen.
Maar ook de twaalfjarige Koos je leed onder de beslissing van haar vader. Zij tekende met overgave, zij had veel geleerd van de schilder. Zij had zijn kinderen verzorgd en vertroeteld. Haar vroeg ontwikkelde, vrouwelijke gevoeligheid, kreeg door de plotselinge scheiding een schok. Zij was rijp genoeg om haar vader te begrijpen, maar evenzeer om in een hartstochtelijke opwelling hem met verwijten te overstelpen. Was dat het stille kind, dat bijna onopgemerkt haar weg ging? Het was Bauer, of de vlammen, die in haar ogen brandden, uit afgronden opstegen.
‘Je trouw aan je vrienden eert je,’ zei hij. ‘Maar wat je als kind tegenover je ouders past, weet je blijkbaar niet.’
Daarop was zij in tranen uitgebroken en Bauer had zich ellendig en hulpeloos gevoeld.
‘Dat kind,’ zei hij die avond tegen zijn vrouw, ‘treedt heel anders op dan ik had verwacht.’
‘Ze is een goed kind,’ zei Koos, ‘maar heel wijs voor haar
149