VIII
Het gesprek met de schilder betekende een keerpunt in het leven van Jan Bauer. Het was of de donkere voorhang van de hemelen voor eenmaal was opengegaan en een stroom van helder licht had doorgelaten. Gestreden had hij, gedroomd, duisternissen gezien en afgronden van licht. Het donkere branden van de zee en het hoge zingen van een onbenaderbaar en toch onmiskenbaar geluk waren hem vertrouwd geweest. Maar op die zondagmorgen had hij zichzelf gezien zoals men een ander ziet: een mens die leeft, die ademt en men kijkt hem diep in de ogen en weet opeens: zó ben je dus. Ja, zo was hij dus, een man, sterk en zwak om beurten, of ook tegelijkertijd. Maar een geketende aan het mensdom, een hartstochtelijk minnaar van deze schepping met al het goede en boze, dat haar eigen was. Niet op een onbestemd punt, niet terzijde, maar midden in die wereld was zijn plaats, al moest hij op die plaats te gronde gaan, neen, omdat hij op die plaats te gronde moest gaan. Van roeping had de schilder gesproken. En Bauer was het antwoord niet schuldig gebleven, het enige, dat hij kon geven. Het woord, dat boven deze wereld had gestaan sinds eeuwen, maar dat nu plotseling vlees en bloed in hem was geworden. Het was een verheugend besef, maar niet onvermengd. Want diep en hevig drong het in hem door, dat hij niets anders kon, niets anders mocht dan dit: te staan bij de mensen, zich uit te putten voor hen tot zijn laatste ademtocht.
Van toen af dempte hij zijn weerzin tegen duizend en een dingen, die afkeer en walging in hem wekten. Hij verfoeide ze niet minder dan vroeger, maar hij liet zich niet meer meeslepen door zijn drift, noch jegens zichzelf, noch jegens anderen. Domheid en laagheid, de gulzige wolven, die het goede in de mens opvraten, maakten diezelfde mens tot een lijdend en beklagenswaardig wezen. Dit te kunnen: de liefde te dragen en niet in opstand te komen, was het enige, dat hij nog in dit leven erkende.
Koos, die hem altijd had gevolgd, zag hem soms aan, alsof zij
145