m’n leven gedraag ik me als een idioot. Eerst drama’s vanwege die kerel en hem dan in huis halen!’
cIn huis? De keet staat zeker dertig meter van je huis af!’ Het was waar. Het nieuwe huis stond op een groot duinterrein, dat niet nauwkeurig was afgegrensd. De keet, eigenlijk een kantine voor de bouwarbeiders, was blijven staan omdat er allerlei materiaal in was opgeborgen, dat nog geen bestemming had gevonden.
De dokter maakte zich vrolijk. Hij zag het komieke van de situatie. Enfin, kinderen waren vaak verstandiger dan volwassenen. Zij zouden er misschien niets in zien. Bauer, weinig geneigd tot gekheid, lachte niet.
‘Er zijn twee dingen. Het eerste is, dat ik het gespuis hier in een hoek wil trappen. Het tweede, dat ik m’n kinderen niet voor galg en rad wil zien opgroeien. Je schilder mag allerlei deugden hebben, maar hij is mijn man niet. Evenmin trouwens als jij.’
‘Is ’t anders niet?’
Dokter Blom stond op. De schemering was inmiddels gevallen, het fabriekspersoneel naar huis gegaan. Een jongeman kwam binnen met een mandje brieven.
‘Zet maar neer, ik zal straks wel tekenen.’
Bauer liep met de arts mee naar buiten. Ze stonden in de koele avondlucht. Er hing een lichtrode gloed aan de zeekant. De fabrikant keek zijn vriend niet aan.
‘Wat is dat eigenlijk: een mens zijn? Is dat hetzelfde als gek zijn?’
‘Hoe weet ik dat? Ik ben ook maar een mens. Maar dat ik deze aarde op een gekkenhuis vind lijken, is wel waar.’
‘Je ziet dus geen lijn, je begrijpt het ook niet.’
‘Ik begrijp het niet en niemand begrijpt het. Dat is waar
schijnlijk juist het mooie van de zaak.’
Bauer keerde zich om en ging naar binnen. Hij hoorde zijn
eigen voetstappen, donker klinkend als een stem in een gewelf. Echo’s waren er, maar was er een antwoord?
De volgende morgen kwamen knechten van de fabriek, ruimden de keet uit, sjouwden er de vodden van Meiling heen. De eenzelvige schilder, die zich de kwestie met de kleine Henk geen ogenblik had aangetrokken - hij had belangrijker dingen aan het hoofd - kwam bij Koos zijn opwachting maken en be
139