‘Maak je niet bezorgd. Henk is geen wonderkind. Hij wil alleen graag tekenles hebben, iets beter dan hij op school krijgt.’ ‘Nee. Het gaat niet door!’
Bauer keerde zich om. Hij had de lippen stijf opeengeknepen. Hij voelde, dat er iets in en met hem gebeurde. Dit was de eerste botsing tussen hem en het geslacht, dat hij had verwekt. Nooit had hij zo dicht gestaan voor de nieuwe tijd, die naar vreemde dingen streefde, dingen, waar hij niet bij kon, die tegen zijn opvattingen indruisten. En aan de andere kant voelde hij de onredelijkheid van zijn houding. Het deed hem pijn, zijn kind een dierbare wens te moeten weigeren. Opnieuw besefte hij de geweldige beweging van de wereld. Waar ging alles heen? Wat kon menselijke macht tegen dit grondeloze drijven? Hoeveel ellende was er niet ontstaan, hoeveel misdaden zelfs waren niet bedreven, doordat mensen meenden aan Gods wil te moeten gehoorzamen?
Koos zag de dingen in kleinere proporties. Zij wist, dat hier geen halsmisdaad aan een kind werd gepleegd. Henk was gezond, hij moest met zijn leeftijdgenoten omgaan en mocht overigens tekenen zoveel als hem lustte.
De jongen, die aanvankelijk heftig had geschreid, onderwierp zich. Hij vertoonde zich niet meer bij de schilder, maar hield zich onledig met de schetsboeken, die hij had gekregen. De goegemeente echter trok uit het feit, dat de jongen niet meer bij Meiling kwam, haar conclusies. Alle bloei, alle nieuwe kleren en zeden ten spijt, werd Stormoord nog beheerst door de grimmige duivel van het wantrouwen. Vreemdelingen, nieuwe inwoners, alles goed en wel, maar er was een grens. Excentrieke schooiers, verleiders van de jeugd, daaraan had men hier geen behoefte. Men ging over tot de klassieke heldendaden: gooide ruiten bij de schilder in, drong tijdens zijn afwezigheid de woning binnen en richtte daar een ravage aan. Enkele geheel of gedeeltelijk voltooide werkstukken werden aan flarden gescheurd. Met tranen in de ogen kwam Meiling bij zijn vriend Blom.
‘Ja,’ zei deze, ‘zo zijn onze manieren. Ik zou je een lijst van dergelijke dingen kunnen opnoemen. Laat dat krot in de steek en trek hier in.*
‘Maar de politie ..
‘Die zijn heel vriendelijk als je ze een sigaar aanbiedt.’
137