Toen nu Blom met zijn schilderende vriend kwam aanzetten, waren de jongens dadelijk hevig geïnteresseerd. De vriend gaf reden tot belangstelling. Hij was mager, vrij onverzorgd gekleed, droeg een volle baard en een flambard. Bauer, na de begroeting, zweeg. Koos vreesde ongedierte. Blom, goed mensenkenner, knipoogde tegen haar. De gedachte aan zijn hy-giënistische reputatie dreef alle bezorgdheid op de vlucht. Meiling, de schilder, nu zonder flambard, wreef zich nerveus in de handen. Bauer voelde opeens medelijden. De armoede was onmiskenbaar. Hij joeg de jongens de kamer uit. Schoorvoetend gingen zij. Dank zij Blom ontspon zich een gesprek. De schilder liet het doekje zien, dat hij had meegebracht. Een stilleven met bloemen en vruchten. De wanden, met hun familieportretten en bijbelkalender, waren hard en koud.
‘Ik hou van platen,5 verklaarde Bauer. cMaar die ik had, mochten van onze vriend Blom hier niet worden opgehangen.5 ‘Dit is geen plaat,5 zei de arts, ‘het is een schilderij. En het is een goed ook!5
Bauer liet zich bijzonderheden wijzen. De schilder, ontvlamd, legde ziel in zijn verklaringen. De fabrikant wilde wel geloven, dat het ding mooi was, maar dat men voor zoiets zoveel geestdrift, ja zijn hele leven over had ... Was de werkelijkheid niet mooier dan een afbeelding? Blom noemde hem een barbaar. Werkelijkheid? Zoals hij, Jan Bauer, het zag? Alsof er niet andere wijzen van zien bestonden!
‘Als er iets is, dat het leven draaglijk maakt, dan dit!5 ‘Nee, het geloof .. .5
‘Dit is geloof,5 zei de schilder. ‘Godsdienst, wijsbegeerte, wat u maar wilt!5
Bauer, reeds besloten het doek te kopen, voelde zich weer huiverig worden. De geest van de nieuwe tijd, de geest, die hij in zoveel opzichten vreesde, voer hem weer tegemoet. Een alles omwoelend enthousiasme, dat eeuwenoude waarden roekeloos vernietigde. Er was altijd geschilderd, zeker, maar het lag er maar aan hóe men het deed, van welk standpunt men uitging.
Hij kocht het werk voor tweehonderd gulden en bedacht later, dat het bezoek hem niet onaangenaam was geweest. De koppen waren verhit geworden, allen hadden op de bres gestaan voor dat wat hun het naast aan het hart lag. Toen hij Meiling de
134