missen. Alleen Blom bleef in de gunst. Die liet, ondanks zijn waardering voor de nieuwe woning, zijn sarcasmen de vrije loop. Een zo welgesteld man als Bauer moest een bibliotheek hebben. Hij hoefde niet te lezen, als hij maar kon laten zien; banden, bruine, rode, pimpelpaarse. En schilderijen, ook al
kon hij het eerste het beste kladprodukt niet van een Rem-
brandt onderscheiden.
‘Je bent immers een geslaagd man!’
°t Lijkt anders wel, of jij me liever kapot ziet!5
‘Misschien is dat zo. Och nee, wie als ezel geboren is, slaagt
nooit!’
Blom, de armen over de borst gekruist, glimlachte. Bauer begreep hem, hij begreep hem zo goed, dat hij hem vervloekte en prees tegelijkertijd.
‘Ik breng een dezer dagen een schilder mee. Een merkwaardige sinjeur, die hier laatst is komen wonen.’
Het was alweer verscheidene jaren geleden, dat men in Stormoord een kunstschilder had gezien. Vóór de modernisering van het dorp kwamen ze van tijd tot tijd, vreemde, verwaaide figuren, die het hier niet lang uithielden. Bauer, die met deze zwervers, zoals hij hen noemde, nooit iets had op gehad, bedankte de dokter voor zijn attentie, maar verklaarde, dat hij zo’n kerel niet zou ontvangen.
‘Je beschermt zoveel belangen. Waarom hou je je van de kunst afzijdig?’
‘Wat weet ik van kunst? Je kunt me net zo goed in ’t gezelschap van een maanbewoner brengen!’
Maar Blom bleef bij zijn voornemen en Bauer, de schouders ophalend, liet hem begaan.
De jongens bezochten de dorpsschool. Jan was nu 10 jaar, Henk 9, de kleine Koosje bijna 5. Gezonde levenslustige kinderen. Jan scheen het meest naar zijn vader te aarden. Hij was groot voor zijn leeftijd, zwijgzaam, een zwoeger. Dikwijls dwaalde hij in de fabriek rond, vroeg weinig, maar nam met gretige ogen alles in zich op. Henk, nerveus en verstrooid, was nochtans een goede leerling.
De vader had daar geen idee van. Hij zag slechts zijn hoop, zijn kinderen, die beter en gelukkiger zouden zijn dan hij. Meer dan in welke dingen ook, wist hij hierin de hand van
132