grond, die hij kon bemachtigen, op te kopen. Niet aan fortuinzoekers wilde hij de ontwikkeling van Stormoord overlaten. Er was al genoeg, dat buiten zijn macht lag. Waar mogelijk, wilde hij de zaken in handen houden.
Een van zijn oude wensen ging in vervulling. Hij liet huizen bouwen voor wat men in die dagen de mindere man noemde. Maar ook nu kwam hij, als zo dikwijls, met zichzelf in conflict. Eenmaal had hij directeur Bergmeijer gehoond om zijn toegeven aan de eisen van de tijd. Nu deed hijzelf niet anders dan toegeven. Het oude had afgedaan, het nieuwe eiste zijn plaats op. Was het louter uit practische overwegingen - licht, lucht, ruimte - dat men anders wilde wonen? Kwam ook hier niet de onnaspeurbare beweging tot uitdrukking, die iets anders wilde, dat men al naar believen goed of slecht mocht noemen? Zijn architect was een bekwaam man, een man met stijl. Hij begreep, dat het goede niet lelijk behoefde te zijn, ja, dat het niet lelijk mocht zijn. Hij wist iets te maken, dat bij het dorps-karakter paste en toch het stempel van de nieuwe tijd droeg. De bouwwoede was echter algemeen. Al wat over geld beschikte, haalde zich plotseling in het hoofd, dat er gebouwd moest worden. Maar de dorpstimmerlui bezaten niet meer het vermogen, dat hun voorvaderen hadden bezeten. Zij waren geen anonieme woordvoerders van een gemeenschappelijke wereldbeschouwing, maar individuen, mensen die zich boven de goegemeente verheven voelden. Hun persoonlijk aanzien, hun persoonlijke wansmaak wilde zich in hout en baksteen uitleven. Zij haalden hun oude huizen omver en zetten er nieuwe schelle, wanstaltige bouwsels voor in de plaats. Zij wilden vierkante serres aan voor- en achterzijde, een dak met rode pannen en een pompeuze bruine straatdeur. De lelijkheid schreeuwde de voorbijganger tegemoet, althans de voorbijganger, die enig benul had van aesthetica. Dezulken waren in Stormoord niet talrijk. Burgemeester Hillen verliet zijn oude behuizing en trok in een daverende villa, die op een duintop in de nabijheid van het sanatorium was neergepoot. Als een puist stond het ding daar op de heuvel, het scheen de hemel en de zee te willen tarten. En wat de burgemeester deed, dat wilden ook de anderen doen. De bakker was geen kenner in zaken van schoonheid, maar behalve zijn architect lichtte zijn vriend Blom hem voor. Men kon bijna zeggen, dat hij Bauer ophitste. Het liet de arts
124