VII
Jan Bauer ging door de jaren als een eenzame soldaat. Soms gaf hij zich rekenschap er van, dat hij bij het grote troepen-verband behoorde, bij het leger der mensheid, dat schreed door de eindeloze vlakte van de tijd. Maar telkens weer verloor hij het gevoel van verbondenheid en ging voort, alleen, wanhopig dikwijls, maar daarna steeds met nieuwe moed. Hij was sterk, hij raakte niet spoedig buiten adem. De problemen van het bestaan drongen zich met geweld aan hem op. Maar het was hem zelden gegeven, diep in eigen innerlijk te schouwen. Dat was zijn redding, voorlopig althans. Hij wierp zich tegen de wind in, ook al geloofde hij sinds lang niet meer, dat zijn schip de haven zou bereiken, waarop hij koerste. Zijn succes was buiten kijf. Alle oude tegenslagen verzonken in het niet tegenover zijn gedurig stijgende macht. Het scheen, dat alles wat hij aanraakte, in goud veranderde. Gelijk een woekering van onkruid breidden de fabrieksgebouwen zich uit over elk plekje vrije grond in de omgeving. Handen repten zich om de produktie op gang te houden, hoofden bogen zich over paperassen om het geheel te leiden en te administreren. Na een jaar was het Bauer al niet meer mogelijk, van alle details kennis te nemen. Er kwam een chef-boekhouder, een chef voor de beschuitfabricage, een chef voor de roggebroodfabricage, een chef voor de expeditie. Allemaal heren, die van hun vak verstand hadden en die konden gebieden. Maar zij stonden onder Bauer, zijn wil was en bleef wet.
Voor het land was Stormoord identiek met de Thoenix’. Niet het onnozele badhotel maakte het kustplaatsje beroemd. Bauer, die gepoogd had, het isolement van Stormoord te behouden, was de bewerker van een intens verkeer met de buitenwereld. Niet alleen zijn eigen personeel, ook dat van het postkantoor en het spoorwegstation moest worden uitgebreid door de vlucht, die zijn zaak nam. Er kwam behoefte aan meer en betere woningen en de prijzen van bouwgrond stegen met sprongen. Bauer maakte aan die beweging vrijwel een einde door alle
123