reid zijn gevangenschap te dragen. Maar machtiger stond het donkere scheppingsraadsel voor zijn ogen. Wat wilde God? En vooral: waar begon Zijn genade?
Gezeten in zijn kantoortje keek hij in de groeiende nacht. Er was druk verkeer van voorbijgangers langs het raam. Ieder wilde de sensatie van vanavond nagenieten, door aanblik en woorden. Bauer stond op. Hij moest zich er van vergewissen, dat hij niet langzaam naar beneden werd gedrukt, de grond in, door een onweerstaanbare macht. Hij stond omhoog en zijn schouders waren breed en sterk als tevoren. Maar het zwijgen, het zwijgen van de nacht. Geen dunne klank, die doordrong tot het verlaten grensgebied, waarin zijn geest ronddoolde. Wat was aarde? Wat was hemel? Bestond er niets, had Blom gelijk? Geen goed, geen kwaad, geen hoger en lager? Blind alles, opgestoten uit een oergrond, waartoe geen mens kon naderen.
In dat moment van vertwijfeling ging hij naar buiten. Het rumoer der voorbijgangers was weggestorven. Sterrentinteling en nachtwind. Ruimte en stilte. Hij sidderde, zoals de profeten moeten hebben gesidderd, die zich door God voelden aangeraakt. Hij liep tot aan de zee, hij luisterde naar de branding en keerde terug. Zijn gelaat was nat, van dauw of tranen — hij wist het niet. Niets anders wist hij dan dit: leven.
122