en gaten renden de kerels bijeen. Afrekenen wilden ze met het regime van onderdrukking en plundering, zoals dat was belichaamd in Marcussen.
Op de grens van twee tijdperken wilden zij het oude van zich afschudden en vernietigen. De muren van Jericho konden niet sneller zijn ingestort dan die van het bouwvallige huisje. Tientallen armen, benen, hoofden en rompen liepen er storm op. Men trapte en krabde elkander om de oude in handen te krijgen. Toen ze hem vonden, lag hij halfdood onder een hoop hout en stenen. Even plotseling als ze waren gekomen, verspreidden zich de oproerlingen.
Uit het huis van Bauer, uit andere huizen, schoten mensen toe. Ze bleven stilstaan voor de ruïne en gaapten haar aan. Alleen Bauer liep door en sleepte het lichaam van Marcussen te voorschijn. Reeds waren daar de dokter, de politie, de burgemeester zelf. ‘Een schande voor onze badplaats ... / stamelde hij. ïEen onberekenbare schade .. /
Blom, bedaard als altijd, onderzocht de oude en constateerde, dat deze zoeven was gestorven. ‘Hartverlamming/ zei hij.
De burgemeester herademde. ‘Dus geen doodslag?’
‘Nee. Hij heeft wel een paar schrammetjes opgelopen door vallende stenen. Maar de schrik heeft hem genekt.’
Ook Bauer scheen bedaard. Hij had de handen in de zakken gestoken en staarde voor zich uit. Maar hij huiverde tot in het diepste van zijn ziel.
De politie zocht naar daders en bij afwezigheid daarvan naar getuigen. De verklaringen waren verward en onzeker. Bauer had geen getuigen nodig. Hij zag de toedracht duidelijk genoeg voor zich. Het monster massa was uit zijn gebukte houding opgesprongen en had zich met één klauwslag bevredigd. De levende Marcussen was niet meer waard geweest dan het lijk, dat daar onder een doek lag. Maar maakte dat enig verschil? Zo heel lang was het nog niet geleden, dat dezelfde massa hem, Bauer, een gelijk lot had willen bezorgen. Zij wreekte zich, maar kende zij het onderscheid tussen goed en kwaad? Het was of er een damp op zijn ogen neersloeg, toen hij zich de gevoelens van de massa poogde in te denken. Donker en klam leefde zij. Zij gehoorzaamde, in haar onderworpenheid en in haar opstandigheid, zonder zich rekenschap te kunnen geven van wat er op het spel stond. Hoe kon men iets verwachten van mensen,
120