zetje!’
Bauer, die, als hij ’s avonds niet in zakelijke stukken verdiept was, over zijn Bijbel zat gebogen, begreep niets van deze mentaliteit. Wilkens was niet kerks, maar dat was Blom ook niet. Die hield zich in zijn vrije tijd uitsluitend met lectuur bezig. En al was Bauer van al dat lezen afkerig, hij begreep drommels goed, dat het een geestelijk hoger staande bezigheid was dan borrelen. Eensklaps kreeg hij oog voor de leegte van een leven, dat verstrooiing van de minste soort behoefde. De Stormoorders, voorzover zij niet de kroegen afliepen - en dezen vormden een kleine minderheid - waren huiselijk en teruggetrokken. Wat zij in hun vrije uren deden, was misschien niet belangrijk. Maar reeds het feit dat men geen lichtzinnige genoegens najoeg, gold voor Bauer als een deugd.
Het zou echter anders worden. Alles werkte daartoe samen. Er werd geld verdiend in Stormoord. De visprijzen waren de laatste tijd zodanig gestegen, dat ieder, die met dit bedrijf had te maken, een behoorlijk loon opstreek. Bauers fabriek had, toen de zomer nog maar halverwege was gevorderd, bestellingen te verwerken, die door de produktie nauwelijks konden worden bijgehouden. Uit verschillende plaatsen boden zich vaklieden bij hem aan. Voor het werk, dat geen vakkennis vereiste, nam hij dorpsgenoten. Het waren nu al bijna dertig man, die bij hem in dienst stonden. De nieuw ingekomenen wilden goede woningen hebben. Er kwam werk voor de aannemers en hun mensen, voorlopig kleine karweitjes, maar zij zouden door grotere worden gevolgd. De bouw van het badhotel had hun trouwens al aardige voordelen opgeleverd. En ditzelfde badhotel bleef een bron van inkomsten. Een veertig gasten bevolkten het nu. Zij aten en dronken, hoeveelheden en kwaliteiten, die niemand in Stormoord zich ooit had veroorloofd. Bauer, die brood en gebak leverde, kon er over oordelen. De gasten kochten in de dorpswinkels wat er van hun gading was, en dit bleek nogal veel te zijn. Zij waren verzot op snoep en snuisterijen, zij kochten manufacturen, linnen schoenen en andere dingen.
Leven, vertier, welvaart - de bakker kon zich in de handen wrijven. Maar hij deed het niet. Menigeen van hen, die gisteren nog met verrafelde kleren liepen, waande zich een geslaagd man en gedroeg zich dienovereenkomstig. De gezichten, nog goor
113