het bijeenzijn der gelovigen. De schare was in het voorvaderlijke zwart gekleed, zelfs het scherpst ziende oog kon geen verandering bespeuren. De dominee verkondigde voor en na dezelfde leer. De armen, voorzover ze eenmaal tot Bauers politieke aanhang hadden behoord, keken hem aan, alsof ze niet recht wisten hoe ze het met hem hadden. Sommigen onder hen steunde hij, een enkele behoorde tot zijn personeel. De overigen maakten deel uit van de grote groep, die haar teleurstelling over zijn desertie nog niet te boven was gekomen. Hij voelde het, en het vergalde de toch al schrale voldoening, die de kerkbezoeken hem boden. Telkens weer moest hij zich er rekenschap van geven, dat hij een uitzonderlijke plaats innam. Een geslaagd man, dat was hij nu zeker in aller ogen. Maar een, die op hun welzijn niet meer invloed had dan een handvol zand op de formatie van de kust. Hoge en heftige dromen woedden nog altijd in zijn binnenste. Hij kon niets en niemand vergeten. Wat lang geleden was gebeurd, stond hem voor ogen als had het gisteren plaatsgevonden. Koos zag de dag van heden, de bloeiende zaak, het in aantal toenemende personeel. Jan Bauer kon zich met de realiteit niet tevreden stellen. Zelfs wilden zijn dromen zich niet tot de zaak bepalen. Gesteld dat hij tientallen, ja honderden mensen werk zou verschaffen. Goed betaalde, behoorlijk levende arbeiders. Mensen die opgewekt hun werk deden, die zonder zorgen een gezin konden onderhouden. Wat dan? Was dan alles in vervulling gegaan? Neen! neen! neen! Dant de sfeer, de geestesgesteldheid, waarin zij leefden, was niet wat hij zich had voorgesteld. Wilkens, zijn boekhouder, een uit de stad gekomen jongeman, beklaagde zich over de saaiheid van het leven in Stormoord. Een paar kroegen, waar men een borrel kon drinken, temidden van een troep slechte sigaren rokende, biljartende, kaartende en schreeuwende dorpelingen. Nu was er het terras van het badhotel bijgekomen, maar daar werd je op een schandelijke manier afgezet.
‘Waarom trouw je niet?’ vroeg Bauer. ‘Hoe oud ben je eigenlijk?5
‘Vijfentwintig. Maar je kunt toch niet zo maar trouwen!5 Het was waar, hijzelf had er ook niet zo spoedig toe kunnen overgaan.
‘Studeer je niet? Je spreekt toch talen?5
‘Ik heb gestudeerd. Meer dan me lief was. Ik wil een ver
112