Dit was dan wel het beste voorjaar, deze verzoening met alles. Dit begrijpen en toch liefhebben van het onvolmaakte. Het was een gevoel, dat in de diepte lag, daar waar het zingen klonk. Het werd dikwijls, al te dikwijls, overstemd door andere geluiden. Maar ook die waren niet afschrikwekkend. Het lied van de arbeid begon te klinken. Het was niet zo schoon als het door sommige hooggestemde en eenzame zielen wel werd gehoord. Wie onder mensen verkeerde, moest ook de bijgeluiden vernemen. Het was zelfs de vraag, wat overheerste: de klank van de arbeidsvreugde of de wanklanken. Want ze hadden hun eisen, hun grieven, hun nukken, allen die met hem moesten werken. Ze waren als hongerige biggen, die gulzig zich wilden voldrinken. Geld verdienen, mooie en lekkere dingen kopen, vrouw en kinderen in de spullen steken. Bauer zag het. Het was zo gemakkelijk te zien. Het scheen zo gewoon en het was zo bijzonder. Hij voelde het immers als een voorrecht, deze mensen te helpen het leven, het gewone, dagelijkse leven te leiden. Alle wilde gedachten, alle stoutmoedige dromen, wat waren zij anders dan vogels, die uit de alledaagsheid wegvluchtten? Maar daarbuiten verloren zij het contact met de wereld der mensen. Daarbuiten mocht het prachtig zijn, men kon zich er niet staande houden. Hier, in deze wereld van alledag, kon men meer en buitensporiger dromen dan ginder.
Jan Bauer werd een groot man. Na al zijn vele mislukkingen, innerlijk en uiterlijk, werd hij een man, die het aanzien der wereld verwierf. Die hem haatten en benijdden, waren niet gestorven. Zij zouden er altijd zijn. Die hem een zonderling vonden, waren even talrijk als vroeger. Maar allen moesten erkennen: dit is een man, die weet wat hij wil en die het bereikt. Hij liet zich geen ogenblik bedriegen, noch door de geïmponeerdheid van zijn medemensen, noch door de vreugde, die zo plotseling in hem was opgestaan. Hij wist, dat, wat hij ook mocht bereiken, zijn ideaal groter, hoger, zuiverder was dan de werkelijkheid.
Nieuwe talenten ontplooiden zich in hem, onverwachts als bloemen opschietend in een rotskloof. Hij wist de juiste mensen te vinden om hem te helpen in zijn zaak, en hij wist tegenover deze mensen de juiste toon te vinden. Iets van zijn vuur gaf hij hun mee. Het proza van het zakenleven doordrong hij met de gloed van zijn hart. Hij had een reiziger, die er op uit
104