zonder kon een man als Jan Bauer het na zoveel bittere ervaringen niet stellen. Hij moest iets bereiken, iets dat voor allen zichtbaar was. Zijn wezen zouden ze dan nog niet doorgronden, maar ze zouden hem zien en overweldigd zijn. Zoals ze voor de zee stonden, die ze ook niet begrepen, maar respecteerden, liefhadden zelfs.
Bauer haalde de schouders op.
cZe zullen me zien/ zei hij. ‘Ik zal hun tegenwerking omverlopen. Er zal werk zijn, er zal geld worden verdiend. Maar wat ik heb gewild, bereik ik niet. Misschien zullen onze kinderen het begrijpen, later, en meer bereiken dan ik.’
Het liep tegen de avond. Hij ging naar de zeekant, als zovele malen. Er was niets veranderd. Jan Bauer was Jan Bauer en de wereld was de wereld. Maar de tijd van hopen was voorbij. Nu gold het nog, sterk te staan in het onvermijdelijke. De dingen in het gelaat te zien en het niet uitschreeuwen, maar zwijgend staan onder Gods zwijgend oordeel.
De duisternis sloot zich langzaam om hem heen. Stil en eenzaam stond hij voor de amper meer zichtbare zee. Wetend, duldend, maar niet verslagen.
102