geving. De wind bespeelde de wolken en de wolken bespeelden de maan. Het was een en al spel, begeleid door de gigantische ketelmuziek van de zee. En de ratten renden, over het kolengruis, door de helmbossen, langs de verlaten rails die als eindeloze armen in de nacht verloren liepen, over de perrons die hem voorkwamen als havenhoofden in een zee van wind.
Maar ondanks hun alomtegenwoordigheid zag hij de ratten niet. Hij sloeg af en toe met zijn stok, zonder te verwachten dat hij ze zou raken, louter bij wijze van vooroefening. Hij beklom een paar treetjes tegen de zijkant van een der perrons en liep in de richting van het eigenlijke stationsgebouw, een uit het niet opgedoemde reiziger. Het matglas van de overkapping blonk hier en daar; ook een controlehekje, een deurraam vingen wat glans. Lunsing wilde er geen aandacht aan schenken. De ratten, de zichtbare, tastbare, worgbare ratten, waren niet hier, maar ginds. Toch ging hij naar die deur, misschien alleen omdat een onder de stationskap duikende windstoot hem erheen dreef. Met zijn gezicht bijna tegen de deurruit kwam hij tot staan. Hij kende de kamer daarachter, de kamer van de chef, waar hij eens excuses had verzonnen, omdat hij zonder kaartje in de trein was betrapt.
Er klonk een kreet uit de kamer. Lunsing sprong achteruit. Het volgende ogenblik hief hij zijn stok op om de ruit aan diggelen te slaan, de schreeuwstem, het rattegebroed tot zwijgen te brengen. Maar de deur werd opengerukt en de schoenmaker Breukers riep: 'God allemachtig! ben jij het! Ik dacht aan een spook!’
Lunsing voelde een vreemde pijn in zijn hand. Die om de knuppel geklemde hand had willen slaan. Op het laatste moment was haar elan verstikt.
'Een spook’ herhaalde hij werktuiglijk. De hand, dezelfde die hij in zijn laboratorium had gezien, was weer nutteloos gebleken.
'Wat is dat voor een ding om je kop?’ vroeg de schoenmaker. Welk ding? De sjaal, ja zeker, de sjaal die de wind uit zijn oren hield
163