omgeblazen en voelde zich maar half gerustgesteld toen hij merkte dat hij een schoen had verloren. Hij had wel een iets passender maat kunnen uitkiezen. Hoe dan ook, zijn leden waren van hout en de ratten gingen als bezetenen te keer.
Als op stelten liep hij naar de keuken, waar een bundel maneschijn binnenviel. Hij keek rond, al wist hij dat er geen kruimel meer te eten was. Zoekend gleden zijn vingers over het aanrecht, zijn ogen langs de glazenkast, de planken met pannen en bussen. Alles stond stil en zweeg, in een nacht vol rumoer. Een reusachtige wolk, een rotsgebergte, schoof in de richting van de maan. De ratten hadden brokken uit de wolk gebeten. Voor en achter zag hij ze wegsnellen, kleine, donkere, niet te verzadigen monsters. Hij legde zijn hand op de kraan en hield zijn mond eronder. Het water vloeide langs zijn lippen qn kin, enkele druppels kreeg hij binnen, kleine koele korrels die onmiddellijk smolten.
Niets te eten en de ratten werden steeds brutaler. Hij veegde zijn kin met de rug van zijn hand af. Tegelijkertijd dacht hij aan een droogtoestel. Men stapte uit het bad en was in een ommezien droog tot in alle naden en kieren. Handdoeken overbodig, theedoeken ook, maar dat hoefde de verkoop voorlopig niet te belemmeren. Zodra de ratten uitgeroeid waren, begon hij eraan. Je zou ratten moeten kunnen vreten, de Chinezen deden het, de uitgehongerden in belegerde steden ook. Ze waren vet genoeg, er moest een dikke speklaag onder die gladde huid zitten. Een vrij mens, een Europeaan, een westerling, deed dat niet, die sloeg ze hoogstens dood en leverde ze, ter gelegenheid van een grote actie, a raison van twee of drie cent het stuk bij de overheid in. Geen gekke handel; je had zo een paar gulden bij elkaar.
Lunsing nam zijn hoed en jas. Hij knoopte de jas dicht en zette de kraag op. Toen hij de keukendeur opendeed, vloog de hoed van zijn hoofd, gelukkig naar binnen, maar hij kon er toch niet mee uitgaan. Daarom pakte hij van de kapstok een sjaal die hij om zijn
161