zijn kop tegen muren en ramen stiet, die om het huis floot en gierde. De wereld wemelde van ratten, ze werden dagelijks talrijker. Er moest iets aan gedaan worden, maar met insekten middelen kreeg je geen rat klein.
Hij ging naar de schuur, zijn laboratorium, het hol van de tovenaar. Het pad naar de schuur was oneffen, brokkelig, en de harde wind maakte het lopen nog moeilijker. Lunsing, altijd in de war met zijn ledematen, strompelde en wankelde, sloeg zijn armen uit en kon toch niet voorkomen dat hij tegen de schuur viel. Als een dronkeman; maar hij was niét dronken, eerder zo droog als een uitgeknepen citroen. Terwijl hij zijn pijnlijke schouder wreef, drong het bulderen van de zee tot hem door, minstens zo schrikwekkend als een rattenleger. Aan de zee had hij echter geen boodschap. Hij draaide het licht aan.
In de schuur, een houten bouwsel, had Lunsing talloze dagen en nachten doorgebracht. De getuigen van zijn vlijt waren zo veelvuldig dat men er bij iedere stap tegenaan liep. Flessen, blikken, potten stonden op banken en planken, op stoelen, op de vloer. Aan de muren hingen timmergereedschap, stukken hout, lappen stof, papieren met strepen, cirkels, cijfers en ondefinieerbare krabbels. Als hij naar het geheel keek, kon hij een gevoel van trots niet onderdrukken. Hij had toch wel iets gepresteerd. Nu keek hij er niet naar. Zijn hand gleed langs een rij flessen. Op elke had hij eenmaal een etiket geplakt, maar de meeste etiketten waren geheel of gedeeltelijk verdwenen. Vocht, verwaarlozing, heel de misère van zijn uitvindersbedrijf hadden de zaak aangevreten.
Zijn hand bleef rusten op een fles zonder etiket. Hij poogde te bedenken wat er in die fles kon zitten, maar het wilde hem niet te binnen schieten. Hij keek nauwelijks naar de inhoud, een kleurloos vocht dat wel water had kunnen zijn. Hij keek naar zijn hand, een grote witte mannenhand, niet al te goed gewassen, met groenge-rande nagels. Een vreemd instrument, een vernuftig instrument,
159