hield. Nu moest hij denken aan Lunsings ratten. Het was niet mogelijk dat ratten zich in zo’n schrale bos helm schuilhielden, erin rolden en woelden. Het was nog minder waarschijnlijk dat een rat de gedaante van een bos helm kon aannemen, al had hij wel eens van gedaanteverwisselingen gehoord. Maar die deden zich in het dorp niet voor. Wel was er de beweging, de zichtbare en de onzichtbare, en ginds, bij de loods, het krioelen der ratten die door de vervloekte chocoladefabriek werden aangelokt.
De schoenmaker keek in de richting van de loods. Het station onttrok de bron van het onheil aan zijn gezicht. Wel zag hij boven het station en daarachter rode wolken drijven die aanstonds door de nacht zouden worden opgeslokt. Er moest harde wind op komst zijn. Hij huiverde en ging zijn huis binnen, waar zijn vrouw wachtte, de maaltijd, de krant, de slaap.
2
Op Lunsing wachtte geen vrouw, geen maaltijd, geen krant. Kranten las hij al lang niet meer, want ze stoorden zijn concentratie en kostten bovendien abonnementsgeld. Een maaltijd gebruikte hij alleen wanneer de honger even heftig begon te knagen als het ongedierte dat hij in de loods had gesignaleerd. En wat zijn vrouw betrof, ze was op bezoek bij hun zoontje dat wegens de huiselijke omstandigheden meer bij een tante dan bij zijn ouders verbleef. Helemaal zonder voedsel bleef de uitvinder niet. Hij zag in de keuken een uitgedroogd kadetje liggen, nam het en zette er zijn tanden in. Zijn gebit was niet best meer, een gelukkig feit, want het dwong hem lang en voorzichtig te kauwen. De illusie van een maaltijd was bijna compleet en het besef bruikbare schoenen te dragen, verhoogde zijn gevoel van welbehagen. Niettemin wist hij dat er iets mis was met de wereld. Tegen de schoenmaker had hij
157