lijkheidsgevoel. Een gevolg van deze zorgzaamheid was dat de meisjes het drukker kregen. Wie vroeger geaarzeld had, vatte moed, nu het risico zo klein mogelijk werd gehouden.
Er ontwikkelde zich tussen de dokter en de vrouwen een gecompliceerde verhouding. Dank zij hem hadden ze een semi-offïciële status verworven, en iets van dit ambtelijke kenmerkte de omgang tussen de twee partijen. Maar het feit dat hij hun deze burgerlijke zekerheid bezorgd had en ook de invloed die zijn persoonlijkheid op hen uitoefende, schiep een steeds hechtere band tussen hen. De vrouwen althans voelden dat deze band bestond; of Rochet er iets van bespeurde konden ze niet uitmaken.
Op een ochtend, na een paar maanden, ging Monique de envelop met de attesten halen. In plaats van de gewone vier verklaringen, tot op de dag bijgewerkt, waren er maar drie. Die van Arlette ontbrak. Wel was er een briefje voor haar ingesloten, met het verzoek zich die middag om vier uur bij de dokter te melden. Dat kon maar één ding betekenen: Arlette was ziek. Een vervelende, maar zeker niet onoverkomelijke geschiedenis. In haar hart verheugde ze zich er zelfs op dat ze Rochet de komende tijd vaker zou zien, en al liet ze niets van deze vreugde merken, de anderen benijdden haar toch.
Toen de dokter haar die middag ontving, probeerde ze spijtig te doen omdat ze het hem lastig maakte, en tegelijkertijd lief om uit deze ongedachte kans tot persoonlijke toenadering te halen wat eruit te halen was.
'Alsjeblieft, Arlette’ begon de dokter, die sinds enige weken de meisjes tutoyeerde. Hij gaf haar het attest.
Ze kon onmogelijk haar glimlachje bewaren; verbijstering gaf haar de gewaarwording dat ze van het hoofd tot de voeten bevroor.
Nu glimlachte hij. 'Je hoeft niet te schrikken, Arlette. Je dacht zeker dat ik je voor een behandeling heb laten komen. Die is niet nodig. Ik wil alleen met je praten over de verhouding tussen ons.’
149