meestersvrouw klaagde dat het nachtelijke woelen van haar man de laatste tijd gepaard ging met geprevel. Haar man prevelde niet in zijn slaap, maar in zijn slapeloosheid. En was het nog verstaanbare taal geweest, misschien zou ze er behagen in hebben geschept. Ze hoorde echter niets dan onontwarbaar gebrabbel. Geen enkele zaak van persoonlijk of openbaar belang, geen harts- of staatsgeheim kwam ze erdoor te weten. Nu het zo gesteld was, had zij geen reden om de stoornis van haar slaap te dulden.
Haar man moest naar een andere kamer verhuizen. Hij had daar begrip voor. Hij onderwierp zich zelfs graag aan de maatregel, al reageerde hij voor de vorm met een zwak protest. Zijn bereidwilligheid kwam voort uit de overweging dat hij de eenzaamheid ten volle moest ondergaan, wilde hij de weg terug naar zijn vrouw, zijn gemeente, de wereld vinden. Er was ergens een fundamenteel misverstand dat fundamenteel moest worden beleefd.
Toen hij zich voor het eerst uitstrekte op het bed in de vroegere kamer van hun zoon, voelde hij zich niet ontevreden. Hij was zijn vrouw niet meer tot last. Zonder zijn verantwoordelijkheid als gezagsdrager uit het oog te verliezen onderging hij een verjonging. Hij stond weer aan het begin van het leven, met de ervaring van een vroeger leven in zijn achterhoofd. Als hij daar zin in had, kon hij uit zijn bed stappen, de kamer rondlopen en voor het raam gaan staan. Het zou zelfs kunnen gebeuren dat hij voorzichtig, met zijn schoenen in de hand, de trap afliep en door de achterdeur naar buiten ging. Of dat hij, even voorzichtig, naar de zolder en door het dakraam klom om op het plat te luisteren naar wat er te horen viel. Er waren waarschijnlijk nog meer mogelijkheden, maar het leek niet verstandig daarop vooruit te lopen en zich zo het element van verrassing te laten ontgaan.
Het meest verrassende was voorlopig dat hij goed sliep en monter wakker werd. De lichte kater die hem zo dikwijls ’s morgens op zijn weg naar het gemeentehuis had begeleid, was verdwenen. Hij kon
112