Geen glimp van hun bestaan zou achterblijven, het jagend stof woei alle sporen dicht, door wind en zon bewogen nieuwe lijven, het oud verlangen hield hen opgericht.
Was dit zijn angst? Hij liep met trage passen
terug naar het bedrijvig Amsterdam,
hij dacht met weerzin aan het luide brassen,
dat eiken avond als een rosse vlam
omhoogjoeg uit de straten en de sloppen
zijn walgelijk gerucht; hij zag het volk,
dat hing en tolde met bedronken koppen,
hun adem stonk en dreef gelijk een wolk
tusschen de schurftig uitgeslagen huizen,
waarboven nog een late veeg van vuur
den avondval verkondde, en het suizen
van verre boomen aan een stil en puur
geluk herinnerde; maar in de stegen
scheen hij de laatste mensch, die dit verstond,
de arbeidskudde kende slechts den zegen
van drank, die neerwaarts klokte door den mond.
Hij haatte hen, hij haatte deze slaven,
de aard, waarop zich hun bestaan voltrok,
den God, die hen deed zwoegen om hun have,
elkaar vermoorden voor een schamel brok.
Bedrog, het stille ruischen van de boomen,
bedrog, de gouden tinteling van zon,
wie niet van pijn en honger was bekomen,
wie niet een bete voor zijn tanden won,
43