lied uitgegeven te krijgen? Dat zal zeker niet veel moeite kosten en wat geld in ’t laatje brengen. De ouderharten zwellen tot een maximum-volume en zijn meneer Schoemakers zoo dankbaar, alsof die de verwekker van Kar eitjes begaafdheid was.
— Dat liedje van jou, zegt Van Swieten den volgenden morgen, zal worden gedrukt en in de winkels verkocht. Meneer Schoemakers zal daarvoor zorgen. Op die manier zul je al geld verdienen.
— Heerlijk! juicht Kareltje.
— Waarom? Wat zou je dan willen doen met dat geld?
— Ik wou zoo graag een fiets hebben, dat weet je toch wel...
— Die krijg je vroeg of laat wel van ons. Zou je met je eigen geld niet een goede daad kunnen doen, b.v. het beschikbaar stellen voor het Sint Nicolaasfeest van de arme kinderen?...
Van Swieten kijkt zijn zoon met doceerende blikken aan. Deze vindt dat dan wel een aardig denkbeeld, ofschoon hij hierop niet juichend ingaat. Maar dat mag men hem eigenlijk niet kwalijk nemen, want van het bestaan der arme kinderen heeft hij maar een flauw idee.
Van Swieten voelt zich echter zeer geroerd, omdat hij zoo’n prachtigen inval heeft gehad, die zeker ook op inspiratie berust. Een lichtende zuil van vadertrots en -liefde bestraalt hem op al zijn wegen. Wat beteekent Bonger? Maar hij, Van Swieten, is tenminste étappe op den weg, die leidt naar het hoogste punt.
92