XI.
Het lukt den zieke rustig te slapen en evenzoo te ontwaken. Hij is de regels van het spel, dat hij de vorige dagen speelde, nog niet vergeten, ook al is het effect naar buiten anders. Die overgroote zwijgzaamheid moet hij afleggen, wil hij zich weer sociaal mogelijk maken.
Fie treedt tactisch op, ondanks de angst voor zijn en haar lot. Zij zal zich er wel voor wachten, weer essentialia aan te roeren of een uiteenzetting daarover uit te lokken. Zij voeren gesprekken, die niet vrij zijn van behagelijkheid, ofschoon de behoedzaamheid in het begin wat al te merkbaar is en hen dikwijls naar woorden doet zoeken. Maar er steekt weinig gevaar in, als zij eenige herinneringen uit haar ziekenhuis-tijd ophaalt en op niet ongeestige wijze bepaalde doktoren en verpleegsters typeert. Hij lacht daarom zelfs en komt los met enkele voorvallen uit zijn studententijd.
Er zijn nu geen gelukkiger menschen dan zij. Ze vatten moed voor de toekomst en iets mooiers is er voor een sterveling niet denkbaar. Er resten dan nog maar een paar dagen tot Maandag. Hoewel hij zich weer goed voelt, besluit hij de hervatting van zijn werk nog even, misschien een week, maar zeker niet langer, uit te stellen. Vink had hem immers allen tijd gegeven. Hij schrijft hem een briefje en voegt daar groe-
120