I
XIV
I METAMORPHOSE
•ET was nog niet eens volkomen licht, 7 toen ik op een mistigen Novembermorgen met mijn ouder zusje naar school ksjokte. De kleine sneeuwvlokken, die *uit de grauwe lucht dwarrelden, maakten mijn reeds heel gedrukte stemming nog somberder. Ik kon er niet kalm in berusten. Zijn vertrek liet een zoo groote leegte achter aan liefde, begrepen worden, rechtvaardigheid, vroolijkheid, gezelligheid, speelgoed, lekkers, kortom aan elke bevrediging, waaraan een kind zoo gemakkelijk gaat wennen. Moeder had tot heden lang niet aan al mijn wen-schen voldaan. Dat was juist gezien. Het kind moet Icercn missen. Anderhalf jaar ongeveer had onze vriend A. de Vrijdagavonden geregeld mede getafeld en ons huis dagelijks gefrequenteerd. Door zijn warme liefde voor kinderen, zijn geestige, gezellige persoonlijkheid en zijn zeldzamen tact om ieder naar zijn aard te bevredigen, wist hij die avonden bijzonder voor ons te wijden. Wc hadden hem eenstemmig lief. Ook vijftien jaar geleden, voordat hij tot geestelijke naar Suriname was beroepen, had hij als Joodsch student uit een kleine provincieplaats, de Vrijdagavonden in ons gezin doorgebracht ter vergoeding van het eigen thuis, hetgeen nog bij gcloovige families gebruikelijk is. Met een tweejarig verlof was hij ter studie van een hoogeren rang naar Amsterdam teruggekeerd en vc id bij mijne ouders, die hem vroeger zeer hadden Icercn waardeeren, dezelfde vriendschap weer. Daar hij zijn vrouw en vier lieve kinderen om verschillende