EEN EMOTIE VOLLE DAG 89
Mijn heftige gemoedsbeweging had het volgende tot aanleiding;
We mochten als kinderen uit een vroom Joodsch gezin op Zaterdag niet wandelen buiten de stad, die lang niet zoo uitgebreid was als tegenwoordig. Daarom gingen wc meestal met ons kindermeisje naar het Trippenhuis, toen Stedelijk Museum. Ik kende elk schilderij tot in de kleinste bijzonderheden. Het dienstmeisje vertelde ons welk een buitengewoon grootc waarde vele dier schilderijen hadden. Dit zeker en misschien ook mijn kunstzin had er toe bijgedragen, dat ik me in het Trippenhuis in een heiligdom waande. Ik durfde nauwelijks loopen of spreken. Grootvader, die een groot kunstliefhebber was — en geen schatten bezat — had in zijn suite, nu ja . . . . eigenlijk een imitatie Trippenhuis aangelegd. De wanden hingen vol met copieën naar onze groote meesters. Ook daar zat ik, wanneer ik op bezoek was, uren de schilderijen te beschouwen en teekende en kleurde ze op elk stuk papier, dat ik wist te bemachtigen. ,,Hè wat is Grootvader toch rijk! ... Zóóveel schatten! . . Die heeft hij zeker gekregen, omdat hij de zieke menschen beter maakt! .... Nu kan hij me stellig alles geven wat ik wensch.”
Wat was er nu gebeurd? Ik had (hoe tegenstrijdig dit ook lijken mag) door mijn bevattelijkheid, de schakel copic bij mijn redeneering weggelaten en vastgesteld, dat Rcmbrandt groote „Nachtwachten” voor musea en kleine ,,Nachtwachtjes” voor gewone huizen had geschilderd, evenals Van der Helst groote „Schuttersmaaltijden” en kleine „Schuttersmaaltijdjes” enz. enz.
Dat kwam, doordat ik, waar het ging om alleenstaande begrippen, ze vlug vatte, even gauw samenvatte en spoedig tot een logisch eindbesluit kwam. Maar nu trainde ik me niet als het minder bevatte-