86 IN MEMORIAM VAN MIJN PIANO-ONDERWIJZER
het binnenkomen geen hand meer, boog beleefd en ging statig op de pianokruk zitten. Ik trok als reflex mijn hand weg, als hij de zijne uitstak.
Wanneer hij poesje of kindje tot me zei, haalde ik minachtend de schouders op.
„Je bent lang niet meer het aardige kindje van vroeger”, merkte hij aan.
„Ik ben nu een meisje", vinnigde ik terug.
„Daarom moest je juist nog aardiger worden!” grappigdc hij op zijn manier.
Ik antwoordde hem door geringschattend het hoofd naar achteren te werpen.
„Ben je boos op me om het een of ander, heb ik je iets gedaan, lieve schat?” vroeg hij kleintjes. (Ik was een van de sterren van zijn jaarlijksche soiréc musicale). Mijn diplomatische bedoelingen had hij nog niet begrepen, daarom antwoordde ik, op een toon, zooals alleen een meisje van elf tot veertien jaren dien kan aanslaan, ,,Heelemaal niet, maar. . ik heb het al zoo dikwijls tot Ma gezegd, ik word nu al zoo groot en vind het daarom veel gezelliger van een piano juffrouw les te krijgen. Dat is het wat me hindert.” Ik kreeg het berekende effect. Hij behandelde me voortaan met de égards, die een onderwijzer aan zijn vrouwelijkc leerlingen verschuldigd is, in het belang van de kinderen zelvcn, dat hij als onderwijzer boven alles moet behartigen.
Zoo klein als ik was, had ik hem op mijn elfjarigen leeftijd terecht gezet.
Laten Moeders, over de kinderen waken, die zoo jong, daartoe nog niet in staat zijn.