IN MEMORIAM VAN MIJN PIANO-ONDERWIJZER 85
offer leende. Mijn pianomeester was toen reeds een man op gevorderden leeftijd. Hij had geen kinderen en wist er bovendien hcelcmaal niet mede om te gaan. Dat was voor mij met mijn ondeugende natuur wel een bijzondere aanleiding om daar eens duchtig van te profiteeren. Bij zijn meeste leerlingen was hij toch, dank zijn wat te bijzonderen, sexuee-len aanleg, om zijn goedheid en vriendelijkheid zeer bemind. Er bestond nu voor hem geen enkele reden om zijn verkeerd gedrag te verbeteren. Ik week echter, door mijn tobberige natuur, die van abstractie en analyse hield, eenigszins van het doorsnee-meisjc af, dat als vrouw, iemand het best en het liefst als onverdeeld geheel beoordeelt. Ik ging, den afkeer, dien ik altijd voor zijn aanrakingen had gevoeld, eens nader ontleden en het werd me duidelijk, dat ze niet uit edele drijfveeren voortkwamen. Tot nu toe had ik hem altijd heel lief laten doen, me in het gezicht laten strijken, me met lief poesje en kindje laten aanspreken, mijn koude handjes in de zijne laten warmen enz. enz. Mijn vrouwelijke waardigheid kwam daar nu tegen in opstand. Ik wilde hem dat anders leeren.
,,Ik hoef toch geen boezelaar meer voor, bij de pianoles, ik zal niet morsen,” verzette ik me kattig. .. . Moeder gaf toe. „Ik hoef toch den piano-mecstcr niet altijd een hand te geven, Joodsche vrouwen mogen niet eens een man een hand geven, als hij geen naaste bloedverwant is.” ... Moeder lachte me uit.
„Die ,,vent" hoeft niet telkens mijn handen weg te trekken om voor te spelen, ik speel mooier!”. , Moeder gaf me een klap. ... Na deze gevoelige woordenwisseling, eer de pianoles begon, nam ik me voor het zaakje verder alleen op te knappen. Ik had al gauw mijn gedragslijn vastgesteld, ik hield van onmiddcllijke resultaten. Ik gaf voortaan bij