XII
| IN MEMORIAM VAN MIJN
| PIANO-ONDERWIJZER
i ................................................................................
1IJN goede pianomeestcr, dien ik (bc-'halve in dit epistel) vol dankbaarheid ^•herdenk voor de levensvreugde, welke l hij mij heeft doen genieten, is verleden 1 veek in den gezegenden ouderdom van byna zes eu tachtig jaren kalm verscheiden. De leeftijdsvermelding geschiedt uitsluitend tot uwe en mijne geruststelling, dat mijn ondeugende, plagende behandeling, zijn levensduur niet te zeer heeft verkort. In mijn prilste kinderjaren van zeven tot elf, vond ik mijnheer N. in hoofdzaak heel vervelend, als aankomend meisje vond ik hem.... unfair, achteraf.... alleen maar béte comme un musicicn, in den zin, dien men daaraan pleegt te hechten.
Ik hinder niemand door mijn beoordeeling want met hem is zijn geslacht uitgestorven en ik meen daartoe gerechtigd te zijn ter waarschuwing van ,,Onze Moeders”.
Mijn eerste lesjaren verliepen voor hem heel genoeglijk. Thuis in de nabijheid van Ma — rechtcr-troon en hemel tegelijk — gedroeg ik me als een Puriteinsche.
Helaas langzamerhand begonnen met de zinnen, alle sluimerende hartstochten te ontwaken. Lang niet ten voordeele van dien armen pianomeester. ik werd een behaagziek, vooral aanmatigend klein meisje, dat het instinctmatig heerlijk vond mijne macht als vrouw eens te beproeven. Ik gaf me er geen rekenschap van op wien, op den eersten den besten maar, die zich daartoe gemakkelijk als slacht-