GODSDIENST BIJ OPVOEDING (VERVOLG) 83
schikkingen zich alleen tot den opvoeder (ster) om verklaringen wenden, die hem vertellen zal, dat alles gebeurt door een Macht die wijs en goed is, maar die hij eerst als hij ouder is kan leeren begrijpen. Tot zoolang moet hij den opvoeder volgen die de Macht wel begrijpen kan, haar lief heeft en handelt volgens haar verlangens.
Dus: Geen gebed door het jonge kind. Geen kerkgang, geen Godsdienstonderwijs, voordat de deskundige opvoeder het kind psychisch in staat acht God’s beschikkingen juist te kunnen waardccrcn.
Zonder dat vermogen, is geen overtuigd geloovige denkbaar en om hem op de juiste wijze daartoe te brengen daarom gaat het toch bij den oprecht geloovige.