82 GODSDIENST BIJ OPVOEDING (VERVOLG)
hoord maar nooit op deze wijze. Opeens wierp Jean zich in de armen van Oom Gottfried, maar wat hij hem zeggen wilde, kwam niet: hij herhaalde alleen maar: ik houd van U en omhelsde hem hartelijk.
(Jean had het allerhoogste gevoeld, hij was bezield, hij kwam nu tot het aanbidden van een Oppermacht uit eigen overtuiging, waardoor hij voortaan in hem gelooven moest).
Alleen God kon hem laten componeercn, en hij zou nooit meer liedjes maken, omdat hij groot wilde worden; dat zouden toch geen liedjes van Onzen Lieven Heer worden, hij wilde voortaan alleen zingen als hij er zich toe gedrongen voelde. Oom Gottfried sprak van nu af aan met hem, over God: want hij was zeer vroom: in tegenstelling van Jean’s Vader en Grootvader. Zijn moeder had Jean op de gewone — (volgens mij verkeerde) — wijze het geloof bijgebracht.
Uit een en ander meen ik het bewijs geleverd te hebben, dat in het aanbrengen van het Geloof bij jonge kinderen vaak onwetend gezondigd wordt door ouders en opvoeders. Dit bracht mij er toe u mijn voorstellen te doen, die ik nu in het kort saam-gevat hier volgen laat:
1. Het jonge kind moet in de geloofsleeringcn uitsluitend ingewijd worden door het voorbeeld van den opvoeder (ster) die ze belijdt.
2. Het jonge kind moet alleen in elk opzicht (dus ook wat het geloof betreft) handelen volgens het bevel van den opvoeder (ster) zonder eenige redencering daaromtrent.
3. De opvoeder (ster) moet tegenover het jonge kind als Gods vertegenwoordiger, als Zijn gezant optreden en het mag bij Gods handelingen en be-