8 O GODSDIENST BIJ OPVOEDING (VERVOLG)
voor die reis dan dat hij er zich toe voelde aangetrokkén. Hij benijdde de kinderen volstrekt niet, die midden in hun slaap, bij wijze van belooning, zooals zijn moeder zeide, zonder te lijden, door God tot zich geroepen werden. Hij beefde van angst bij 't inslapen, dat God misschien zou bedenken datzelfde ook bij hem te doen.
Het moest iets vreeselijks zijn om plotseling uit de warmte van je bed te worden weggehaald en in de leege ruimte te worden mcegeslcurd tot in de nabijheid van God. Hij stelde zich God voor als een enorm groote zon, die spreken zou met donderende stem; wat zou dat een pijn doen! Dat zou je oogen, je ooren, je hcelc ziel verbranden? En dan, God zou nog kunnen straffen: je kunt nooit weten.
Jean leed bitter, door. zijn angst. . voor God.”
en dan later geeft de Schrijver ons, de prachtige paedagogische les, van den versmaden gebrekkigen Oom Gottfried aan den kleinen Jean, waarbij Oom Gottfried hem tot ootmoed brengt en waarbij Jean, nu hem de wonderen der natuur geopenbaard worden, overtuigd geloovig wordt;
(Jean wil uit eerzucht componist worden. In zijn dwaasheid wordt hij gesteund door zijn Grootvader, die zijn meest onbetcekenendc maaksels met uitbundigen lof beoordeelt en den kleine daardoor opwindt).
Oom Gottfried neemt Jean op een avondwandeling mede; Jean geeft hem zijn verlangen te kennen, een groot componist te willen worden, een kunstenaar. Hij maakt al liedjes om een groot man te worden. Jean had gemeend, dat Oom Gottfried hem nu zou bewonderen.