GODSDIENST BIJ OPVOEDING (VERVOLG) 77
hartstochtelijk, fluisterend geluid: hij zeide God, dat hij niet wilde ophouden te hopen, ,,ik laat u niet los, o God, ik Iaat u niet los voor Gij ja gezegd hebt, Gij moogt haar niet van ons wegnemen, want Gij weet hoeveel wij van haar houden, Gij moogt niet, Gij moogt niet! O, ik kan niet zeggen: Uw wil geschiede, want Gij wilt haar laten sterven, ach, maar laat haar leven, ik zal u danken en gehoorzaam zijn en nooit weer tegen Uwe geboden handelen, wanneer Gij haar maar leven Iaat! Hoort gij God! O, houd op, houd op en maak haar gezond, voor het te laat is! Ik zal... . ik zal... . O, wat kan ik U beloven ? — O, ik zal u danken, U nooit, nooit vergeten; ach, maar hoor dan toch naar mij. Gij ziet toch, dat zij sterft, doe Uw hand weg, doe het, ik kan haar niet missen, God, ik kan niet, laat haar. Iaat haar leven, wilt Gij niet, wilt Gij niet? O, dat is zondig van U. .
Langzaam ademde Edele haar leven uit.
Daarna geeft de schrijver verschillende wijzen aan, waarop de menschen hun verdriet kunnen opnemen. Hij zegt:
„Er zijn ook menschen, waarvoor het verdriet een gewelddadigheid is tegen hen begaan, een wreedaardigheid, die zij nimmer als beproeving of tuchtiging en evenmin eenvoudig als beschikking leeren aanvaarden. Voor hen is het een tyrannie, iets persoonlijk vijandigs en er blijft altijd een angel in hun hart achter. (Een overtuigd geloovige treurt niet op deze wijze.) Niet dikwijls treuren kinderen op die wijze, maar met Niels Lijhne was het zoo. Want het was hem geweest, alsof hij in de innigheid van het gebed van aangezicht tot aangezicht tegenover zijn God gestaan had, hij had