VAN TWEE DADEN, DIE EENDER LEEKEN 67
ken middag als ik uit school kwam, mocht ik een half uur spelen bij Moeder Poes met hare kleinen, op den zolder, waar men ze had gebracht en telkens als ik beneden kwam, klonken Moeder weer nieuwe vreugdekreten in de ooren als „Maatje ze loopen al”, ,,Ma, leukertje duwt ieder maar op zij, die haar in den weg zit”, en toen ze voor het eerst de oogjes open deden, liep ik al binnen het half uur naar beneden om haar opgetogen het blijde nieuws te vertellen. Mijn uitgelatenheid over de poesjes, maande Moeder tot voorzichtigheid aan en telkens weer hield ze ’t mij voor oogen, dat de poesjes weg zouden gaan, als ze zes weken oud waren om anderen menschcn van dienst te zijn. Vol angst vroeg ik dan om me zelf gerust te stellen: „Maar niet verdrinken hè Maatje zooals de slechte menschen doen, nce-e?” „Wclneen, ik zal er voor zorgen, dat ze bij goede menschcn komen,” antwoordde Moeder steeds. Eiken middag riep Moeder me vijf minuten voor het half uur om was, naar beneden, omdat ik dien tijd minstens noodig had om van ieder der poesjes in het bijzonder afscheid te nemen na het: „ja—ik—kom—al”.
Op een keer, toen ze het bekende wachtwoord niet hoorde, ging ze me halen en vond me in tranen badend op den grond liggen. Ze overzag al heel gauw, wat er met me gebeurd was, toen ze drie van de poesjes dood en het vierde stervende in het mandje vond: ik was niet tot vertellen in staat. Bij het plotseling ontwaren van dit voor mij zoo aangrijpend schouwspel, was ik als verlamd van schrik neergevallen. Moeder beurde me op en riep Vader naar boven, die inmiddels was thuisgekomen en bij het stervende poesje vergiftigingsverschijnselen constateerde. De oorzaak was niet ver te zoeken, de muur van een aangrenzend dienstbodenkamertje was versch geschilderd en daaraan hadden