GESTRAFTE HEILIGSCHENNIS
64
hij me vriendelijk toeknikte en mij even als aan alle kinderen de hand gaf bij het heengaan. De klasse-juffrouw verzorgde ons altijd verder. Toen ik den volgenden morgen verlof vroeg om me even te verwijderen, kreeg ik een ander meisje mede, wat me erg beleedigde. ,,Dat hoeft niet,” riep ik driftig uit, ,,ik ben geen fröbclkindje meer!” ,,Je brengt haar weer tot hier in de klasse terug, Betsy,” klonk het nijdig bevelend van de juffrouw, waardoor ik begreep, dat verder tegenstribbelen nutteloos was. De juffrouw negeerde me geheel behalve daar, waar het onderwijs wrijving noodzakelijk maakte. Toen ik haar bij het naar huis gaan de hand wilde geven wees ze afwijzend, dat het niet noodig was. Ze hield hare behandeling weken vol en niets bracht me tot het bewustzijn, dat ik haar vergiffenis te vragen had. Ik was toch heel zoet en oplettend. Ik vond dat ze „mijn baas” was omdat ze schooljuffrouw was en groot was en omdat ik van Moeder altijd alles doen moest, wat de juffrouw verlangde. Maar toen ik, nadat ik reeds drie weken geëscorteerd was, eens met mijn wacht het hoofd op de gang ontmoette, vloog ik op hem toe en riep snikkende uit: ,,Ik zal nooit meer wegloopen.”
Van dien tijd mocht ik weer alleen gaan. (Ik .begreep niet, dat er toch een oog in het zeil gehouden werd). Ik heb nooit meer één oogenblik langer en anders van mijn vrijheid gebruik gemaakt dan me was toegestaan. Vroeger bleef ik nog wel eens een beetje spelen. Ik ben in geen enkel stadium van mijn leven braver geweest dan toen. Mijn angstige, doch optimistische natuur hoopte nog even dat alles nog wel goed loopen zou.
Het spreekt van zelf, dat dit Hoofd vond, dat ik die maand zoo mijn best gedaan had, dat ik bovendien een extra kaart verdiend had, die ik nu in plaats van de gewone kaart kreeg.